• Meer fotos

Bonen werden pas na 1550 in onze contreien binnengebracht vanuit Peru en het zuiden van de VS. Deze warmteminnende planten bieden een enorme rijkdom aan variëteiten. In Vlaanderen worden ze vooral de prinsessenbonen en snijbonen gegeten. Droge bonen zijn heel wat minder populair, hoewel ze grote hoeveelheden hoogwaardige eiwitten bevatten.

1. Plant

De zijwortels van bonen zijn meer ontwikkeld dan de hoofdwortel. Er zijn talrijke wortelknobbeltjes op terug te vinden wat typisch is voor de vlinderbloemenfamilie. De zaadlobben van bonen ontvouwen zich – anders dan die van erwten – boven de grond. De stengel is vertakt, aan de basis rond en bovenaan zeskantig. De bloemen zijn meestal wit, maar kunnen ook nog andere kleuren hebben. Ze staan alleen of in trossen. De vrucht is een peul, langwerpig, recht of gebogen. Naargelang het ras kan de peul glad of ruw, hard of zacht zijn. De peulen bevatten verschillende eivormige tot niervormige zaden. Onrijpe peulen hebben een vlezige vruchtwand. Bij volledige rijpheid wordt die dun en vliezig.

De bonen vormen een zeer uitgebreide groep gewassen, die allen tot hetzelfde geslacht behoren namelijk Phaseolus, en ook tot dezelfde soort, namelijk vulgaris, met één uitzondering: de pronkboon (Phaseolus coccineus). Sojaboon en labboon behoren tot andere geslachten.

Binnen het Phaseolus-geslacht bestaat er een haast eindeloze verscheidenheid aan vorm, kleur en gebruiksmogelijkheden. Om tot een indeling te komen, hanteren we een aantal criteria:

Men maakt een onderscheid tussen lage en hoge bonen:
- Lage bonen worden slechts 40-50 cm hoog en worden ook struik- of stambonen genoemd.
- Hoge bonen hebben een lange stengel die zich rond een steun windt en zo 2 of 3 m hoog wordt. Ze worden ook stok- of staakbonen genoemd. Dat ondersteunen vraagt heel wat werk, maar de opbrengsten per m2 liggen dan ook hoger.

De verdere indeling wordt bepaald door het gedeelte van de boon dat gegeten wordt en door de manier van bereiding.

Droge boon
Een eerste groep bestaat uit de variëteiten waarvan enkel het droge zaad gegeten wordt, dus niet de peul. Dit zijn droge bonen.
De bonen zijn er in verschillende kleuren en vormen. We vinden bruine, witte, gele bonen, azukibonen, limabonen, mungbonen, flageolets en kievitsbonen.
- Tot de witte, gele en bruine bonen behoren de rassen die in de peul een perkamentachtig vlies vormen waardoor ze niet gaar koken. Het zijn overwegend struikbonen. De zaden kunnen wit, geel of bruin zijn.
- De flageolets zijn hardschillige struikbonen met groenachtige zaden die als droge boon gegeten worden maar ook in groenrijpe toestand worden gedopt zoals doperwten. Ze worden daarom soms ook als een aparte groep aangeduid. Rasnamen worden soms achterwege gelaten.
- De kievitsboon heeft haar naam te danken aan de bonen die sterk gelijken op kievitseieren. Ze worden geteeld als stokprinsessen.

Snijboon (Phaseolus vulgaris)
Snijbonen hebben grote vlezige peulen. Van deze groep wordt de hele peul met het onrijpe zaad erin gegeten maar de peulen worden gebroken, gesnipperd of gesneden. Daarom worden deze rassen snijbonen genoemd. Snijbonen hebben altijd brede, platte, lange peulen. Ze worden bijna altijd aan staken geteeld.

Kousenband
(Vigna unguiculata en Vigna sesquipedalis)
Deze extra lange snijboon kom je misschien wel eens in de winkel tegen. Het gaat om de tropische peulvrucht Vigna unguiculata. De var. sesquipedalis vormt zeer lange, veterachtige peulen die in Suriname kousenbanden worden genoemd. De var. unguiculata staat bekend als ogenboon of korte kousenband. Zij zijn hier alleen onder glas te telen.

Prinsessenboon (Phaseolus vulgaris)
Wordt de peul intact gelaten en in zijn geheel gestoofd, dan hebben we het over prinsessenbonen. Deze worden ook sperziebonen, slabonen of soms ook herenbonen genoemd. Boterbonen of was¬bonen (Phaseolus vulgaris) zijn prinsessenbonen met gele sluimen.
De soortenrijkdom is enorm groot binnen de groep van prinsessenbonen.

Spekboon (Phaseolus vulgaris)
Spekbonen zijn een soort grove stokprinsessen, die gegeten worden als snijbonen. Het verschil met de andere snijbonen is dat deze zoeter van smaak zijn. Ze zijn erg groot, rond en vlezig en brengen meer op dan prinsessenbonen. Ook geschikt om als droogboon te gebruiken.

Pronkboon (Phaseolus coccineus)
Pronkbonen krijgen vele verschillende namen. Sommige hebben betrekking op de bloemkleur (wit of rood): vuurboon, sierboon. Nog andere namen zijn: Spaanse, Turkse of Arabische boon, molleboon (niet te verwarren met Mollekens, een ras van struikprinses), Piet Heinbonen (Nederlandse benaming) en boerentenen (een grootzadig ras van pronkboon). De boon is ondanks al deze benamingen afkomstig uit Zuid-Amerika, zoals de meeste bonen.
Pronkbonen onderscheiden zich van de andere boongewassen doordat ze veel sterker zijn en beter bestand tegen guur weer. Pronkbonen hebben bovendien een wortelstok, wat vrij uniek is voor een boon.
Ze danken hun naam aan hun mooie bloemen, wat een sierlijk effect geeft. Er zijn wit- en roodbloeiende rassen. Doordat ze veel sterker zijn worden ze vaak als windbeschutting naast andere stokbonen gezet. Het zijn snelgroeiende klimmers die tot 3 m hoog kunnen worden. Ze worden gegeten als snijboon als de peulen in een zeer jonge toestand worden geplukt, en ook als droge boon. Pronkbonen kunnen dus gekweekt worden voor hun sierlijke bloemen en kunnen in de keuken gebruikt worden. De productie is lager dan bij andere bonen, maar daartegenover staat dat de oogst meer in tijd gespreid kan worden. Ook de bloemen zijn eetbaar.

2. Teeltwijzen

Struikbonen teel je zonder steun en stokbonen met steun. Alle boonsoorten zijn zeer gevoelig voor nachtvorst. Dit brengt mee dat je ze in vollegrond pas zonder risico kan zaaien of uitplanten vanaf half mei en dan nog op voorwaarde dat de grond minimum 10-12°C warm is en niet te vochtig. Bonen vrezen kou en veel vocht maar boven alles vrezen ze de combinatie van die twee.
Om al zeer vroeg boontjes te hebben en zo de oogstperiode van verse boontjes te verlengen, kan je proberen de teelt te vervroegen. Voorzaaien onder glas in potten kan vanaf half april tot half mei. Vind je deze methode te arbeidsintensief, dan kan je het eind april - begin mei wagen om struikboontjes te zaaien in de platte bak. Er zijn echter risico’s aan verbonden omdat bonen een voldoende hoge bodemtemperatuur vragen voor een goede kieming.
Vermelden we hier nog bij dat het voor struikbonen het best is om 2-3 keer kleinere hoeveelheden te zaaien omdat we op die manier de oogst spreiden. In voor- en naseizoen kweken beroepstelers ook bonen in de serre.

3. Rassen

Er bestaan ontzettend veel bonenrassen. Bij de keuze van rassen moet je rekening houden met een aantal eigenschappen:

• Rassen met of zonder draad
Sommige rassen (meestal de oudere) hebben over heel de lengte van de peul een taaie draad die bij het koken of stoven niet zacht wordt. Dit kan tijdens het eten vrij vervelend worden. Daarom worden nieuwe rassen geselecteerd op draadloze peulen.

• Vroege of late rassen
Wil je de teelt vervroegen dan neem je het best je toevlucht tot vroege rassen. Doe je aan teeltspreiding – enkele malen kleinere hoeveelheden zaaien – dan probeer je de rassen daar zoveel mogelijk aan aan te passen. Struikbonen zijn meestal vroeger dan staakbonen. Voor het einde van het ¬verse-bonenseizoen, kan je in juli opnieuw een vroeg laag ras zaaien.

• Enkele of dubbele rassen of peulen:
Zowel bij hoge als lage prinsessenbonen maak je een onderscheid tussen dubbele en enkele rassen. Dubbele rassen hebben een vrij dikke, vlezige, nagenoeg rolronde peul, die dubbel zo dik is als bij de enkele. Enkele rassen daarentegen hebben een tamelijk, fijne, platte peul met sterk uitpuilende zaden.

• Peullengte
De bonenrassen kunnen we op basis van hun peullengte indelen in drie groepen: lange (18-24 cm), middellange (14-18 cm) en korte (10-14 cm).

• Kleur van zaad
De zaden van prinsessen kunnen wit, geel, of zwart van kleur zijn.

• Hoogte van het gewas
Prinsessenbonen worden ingedeeld in struik- en stokbonen (zie hoger).

3.1. Droge boon

Bij de droogbonen komen de volgende rassen van struikbonen voor:
• Bruine bonen:
Bruine Kogelboon: een wat kleinere eivormige boon
Bruine Noord-Hollandse.

• Witte bonen: in vele vormen, soms soepboon genoemd:
Witte Krombek: vrij grote witte boon.
Vroege Witte Dwergcocosboon (Coco blanc précoce): witte boon van goede kwaliteit, zowel vers, halfdroog als droog.
Witte eiboon
Saint-Esprit-Oeil Rouge: 40 cm hoog, witte dopbonen behalve in de omgeving van de navel waar er zich een rode vlek in vogelvorm bevindt. Sommigen zien in de tekening de vorm van een mannetje, vandaar de naam soldatenboon.

• Gele bonen:
Friese Woudboon: crème-kleurige boon, vrij groot, zachte schil.
Gele Chinese cocosboon: zowel vers als droog te gebruiken.

• Flageolets:
Flageolet Chevrier of groene flageolet: groene boon, zeer sterk.
Flageolet rouge (Rongon de Coq): rode boon
Flageolet rouge mexicain: rode boon
Flageolet noir: zwarte boon
Flageolet Suma: groene boon, zeer jong oogsten, droge groene boon, laag, zonder draad, oogst vanaf begin augustus.

Bij de stokbonen is het aanbod wat beperkter:
Kievitsbonen: bonen met een roze-witte grondkleur en streepvormig violette vlekken, soms ook spikkelboon genoemd.

3.2. Snijboon

Bij de struiksnijbonen zijn er momenteel twee rassen van belang:
Admires: lange snijbonen, enkel ras
Noordster: een oud ras van lange snijbonen met draad, gevoelig voor virussen en de peulen worden snel vliezig.

Bij de stoksnijbonen zijn er meer soorten te vinden:
Helda: lange en breed afgeplatte hulzen; worden gesnipperd gegeten; laat de hulzen niet te oud worden.
Raadsheer: zonder draad
Rentmeester: zonder draad

3.3. Prinsessenboon

De vormen- en kleurenrijkdom is bijzonder groot.
Bij de struikprinsessen zijn er twee grote groepen: die met de groene en die met gele sluimen. Paarse sluimen komen in mindere mate voor.

• Met groene sluim:
Parfaco: dit is de verbeterde Perfect: fijne, enkele boon, de hulzen zijn dunvlezig, wat afgeplat.
Dubbele Witte zonder Draad (Mollekens): dubbele boon zonder draad, die lang geplukt kan worden, goede opbrengst, zeer populaire boon.
Saxa (Limburgse Vroege): allervroegste, geelzadig, sterk, snelgroeiend, moet op tijd geplukt worden, kan zowel vroeg als laat geteeld worden, oude soort.
Hinrichs Riesen: sterke groeier, wit zaad met roze vlekjes.
Groninger Weekschil: oud ras met draad waarvan vooral ‘s winters de geweekte hulzen gegeten worden, ook geschikt voor vers gebruik.
Fin de Bagnols: dit ras behoort tot de naaldbonen of haricots verts; het zijn groene prinsesjes waarvan de peulen in een zeer jong stadium geplukt worden. Later geplukt zijn ze taai en kan je alleen de fijne zaden nog als droogboon gebruiken.
Prelude: vroeg, virusresistent ras, kan in alle seizoenen en onder glas geteeld worden.
Processor: middellange, grofpeulige prinses uit Amerika.

• Met gele sluim (struikboterbonen):
Beurre de Rocquencourt: zwarte zaden, fijne peul
Boterkoning: middellange boon, de best gekende boterboon.
Minidor: ronde, rechte peul van ± 15 cm.
Keygold: ronde, fijne peul van ± 15 cm.

• met paarse sluim:
Purple Queen: paarse boon van ± 15 cm die na een minuutje koken al een frisgroene kleur heeft.

3.4. Stokprinses

• met groene sluim:
Mechelse Tros: oud ras, zeer vroeg, enkele en fijne boon.
Westlandse: oud ras, dubbele, dikke, lange peulen, iets later dan de Mechelse Tros.
Calvy: grijszwarte zaden, lange fijne en rechte peulen, botersmaak.

• met gele sluim (stokboterbonen):
Rijngoud (Or du Rhin, Merveille de Venise): goudkleurige, lange en zachte peulen, zonder draad.

• met paarse sluim:
A cosses violettes: paarse sluim kleurt groen bij het koken.

3.5. Spekboon

De belangrijkste soorten die momenteel verkrijgbaar zijn:
Neckarkönigin: zeer lange, vlezige hulzen voor de verse pluk, wordt in stukjes gesneden gegeten.
Phénomène: oud ras, oorspronkelijk met draad, waarvan nu draadloze selecties als Neckarkoningin ontwikkeld worden.

3.6. Pronkboon

Emergo: oud standaardras met draad en lange peulen, overwegend witbloeiende selecties, sterk gewas, gegeten als snijboon of – indien later geoogst – gedopt.
Streamline: een variëteit met zeer lange peulen die niet draderig worden. Zaden roze tot bruin, dicht bespikkeld met zwarte vlekken.

4. Bodem en bemesting

Bonen ontwikkelen zich vlot op alle grondsoorten, op voorwaarde dat de grond niet nat en koud is. Je zorgt dus best voor een goed ontwaterde bodem. Die zal sneller opwarmen. Bonen verdragen geen zure grond.
Bonen, die behoren tot de vlinderbloemenfamilie, zorgen gedeeltelijk voor hun eigen stikstofvoorziening, doordat ze stikstof vastleggen uit de lucht
Voor vlindergewassen is fosfor een belangrijk element. Het beïnvloedt de bloemzetting en ook de wortelontwikkeling gunstig. In moestuinen die al jaren compost krijgen toegediend, worden zelden tekorten vastgesteld. Een zeer matige bemesting lijkt het meest aanbevelingswaardig.
Bonen houden niet van verse mest maar zijn wel dol op humus. Op een zandgrond vragen de bonen een matige hoeveelheid rijpe compost. Op de andere (zwaardere) gronden hebben ze genoeg met een matige kalibemesting.

5. Standplaats

Bonen zet je op het perceel van de peulgewassen.
Bonen stellen geen bijzonder hoge eisen aan vruchtwisseling. Je houdt een vruchtwisseling van minstens 1 op 4 aan.
Aardappelen, gras, granen, knolselderij, wortel, ui en witlof zijn goede voorteelten voor bonen.

Eens hoge bonen volgroeid zijn, vangen ze heel veel wind. Plaats de staken dus heel zorgvuldig en diep genoeg, zodat ze tegen een flinke windstoot kunnen. Een rij pronkbonen of aardperen kunnen als windscherm dienst doen.

6. Zaaien

Zaden van eigen kweek ontsmet je vooraf met een warmte- of koudebehandeling. Vóór het zaaien kan je de bonen eventueel voorweken door ze gedurende maximum 24 uur in water te leggen.
Bonen hebben grote zaden en mogen dus vrij diep gezaaid worden; dit betekent ongeveer 2 cm in zware gronden tot maximum 5 cm in zandgronden. Bij vochtig weer moet je zeker minder diep zaaien.
Voor struikbonen vorm je een geultje van 2-5 cm diep en leg je daarin om de 5-10 cm een zaadje. Anderen leggen om de 15 tot 25 cm 3 zaden bijeen.

Voor stokbonen gaat het wel enigszins anders. Hier plaats je eerst steunmateriaal: houten of bamboe stokken, minstens 2,5 m lang, voor staakprinsessen en minstens 3 m lang voor stoksnijbonen. Indien je niet over staken beschikt, kan touw een uitkomst bieden. Omdat de planten dan gemakkelijker afzakken, moet je dichter planten. Op houten bonenstaken kunnen heel wat schimmelsporen (en mogelijk ook mijten) achterblijven die een gevaar vormen voor de teelt van het volgend jaar. De schimmel¬sporen (en mijten) kan je eraf halen door de staken met een gasbrander af te branden of door de staken door een andere vuurvlam te halen.

De verschillende manieren om die staken of koorden op te stellen worden hiernaast geïllustreerd.

De dubbele-rijmethode is altijd veel steviger dan de enkele rij. De niet-gekruiste dubbele-rijmethode heeft dan nog het bijkomend voordeel dat de planten geen kluwen gaan vormen op de plaats waar ze kruisen. Ze kunnen rustig verder groeien zonder concurrentie van de overburen.

De afstanden tussen de staken zijn in de tekeningen vermeld. Als je verschillende rijen naast elkaar hebt, moet de afstand tussen twee buitenste rijen minstens 1 meter bedragen. Je kan de staken ook dichter bij elkaar zetten; je moet dan wel het aantal planten per staak verminderen. Zowel de plantafstand en de hoogte van de stellage zijn belangrijk. Als de stellage te laag is, vormen de planten bovenin een grote plantenkluwen. Schimmels zien hierin een kans. Het aantal planten per vierkante meter is uiteindelijk het belangrijkste.

Eens de staken stevig in de grond staan, kan je zaaien. Daartoe maak je aan de binnenkant van elke staak een halfcirkelvormige gleuf op een tiental cm van de staak, waarin je 4-8 zaden legt op een 4-tal cm van elkaar. Dezelfde zaaidieptes als bij struikbonen blijven geldig. Ook hier geldt dat we ondieper zaaien naarmate de bodem vochtiger is. Bij erg vochtig weer kunnen we ook zaaien in een heuveltje dat 2-3 cm boven het grondoppervlak uitsteekt. Na opkomst laten we de 2 tot 6 stevigste planten verder groeien. De andere neem je weg.

In veel gevallen zal je na het zaaien de opkomende kiemplanten moeten beschermen tegen vogelvraat. Veel mensen spannen dus draad of een net over het pasgezaaide bonenperceel tot er meerdere bladparen gevormd zijn. Het probleem van vogelvraat is wel minder ernstig dan bij erwten.

7. Teeltzorgen

Je steunt de planten door ze aan te aarden zodra de bonen hun eerste echt bladpaar gevormd hebben.
Als de opkomst slecht is of de vogels je verrast hebben, kan je op de open plaatsen nog snel bijzaaien.
Stokbonen kunnen in het begin wat last hebben om de staak te vinden. Je kan ze dan de weg wijzen door ze rond de staak te winden.
Wieden moet je natuurlijk altijd doen. Eens het gewas dichtgegroeid is, wordt dit werk bij struikbonen echter tot een minimum herleid, bij staakbonen blijft er wel wat wiedwerk bestaan. Na het wieden kan je de bodem bedekken met jong gras of hooi.
Tijdens de eerste groeiweken en bij droogte in de periode van bloei en vruchtzetting kan het op lichte gronden nodig zijn de bonen te gieten.

8. Oogsten en bewaren

Alle snijbonen, prinsessen, spek- en pronkbonen pluk je in een jong stadium omdat ze dan nog mals zijn. Doordat bonen vrij snel groeien moet je ze regelmatig plukken. In de zomer gebeurt dit zeker 2 maal per week. Regelmatig plukken laat de plant langer doordragen. Veel mensen zoeken naar gepaste bewaarmethodes om de overvloed van jonge boontjes op te vangen. Een ecologische manier om boontjes te bewaren is inzuren met melkzuurgisting.
Indien je deze methoden niet toepast, kan je toch van begin juli tot begin oktober plukklare boontjes eten, door gespreide zaaibeurten van de juiste rassen. Wat je niet kan opeten, laat je volledig rijpen, om enkel het droge zaad te gebruiken.
Ofwel teel je echte droogbonen. Die oogst je als volgt: zodra de planten beginnen te verkleuren (vanaf eind augustus - september), trek je ze uit de grond, je bindt ze in bosjes en hangt ze te drogen op een tegen regen beschutte plaats. Eens ze goed droog zijn, rits je de zaden uit de peulen en stockeer je ze op een koele, droge en parasietvrije plaats, bijvoorbeeld in een glazen bokaal of een blikken doos.

9. Zaadteelt

Bonen zijn éénjarig en zelfbestuivend. Je kan dus vrij gemakkelijk zelf zaad telen, ook al omdat de boon een vruchtgewas is waarvan het oogststadium en het rijp-zaadstadium niet enorm ver uit elkaar liggen. Toch zet je 2 verschillende variëteiten niet al te dicht bijeen om kruisbestuiving te voorkomen.
Van de planten die je als zaaddragers uitkoos, oogst je op het ogenblik dat ze beginnen te vergelen en de peulen verdroogd zijn. Bij staakbonen kan het nodig zijn om de plant bovenaan in te snoeien om het rijpingsproces te bevorderen. Je laat de planten dan goed nadrogen in een droge, goed verluchte kamer. In februari van het volgend jaar kan je de zaden uit de peulen ritsen.
Zaden met bruine plekken of met gerimpelde huid werp je weg. Kort voor het zaaien pas je een zaadontsmetting toe.

10. Ziekten en plagen

10.1. Aantastingen door vogels

Soms trekken die jonge kiemplanten uit, zodat afscherming nodig is. De omvang van de schade is veel beperkter dan bij erwten. (Zie hoofdstuk Gewasbescherming, p. 232: Bescherming tegen vogels.)

10.2. Konijnen

Konijnen kunnen een jong gewas van struikprinsessen min of meer pleksgewijs kaal vreten. Om hen te weren, kan in de eerste plaats langs de rand van het perceel een vrij fijnmazig gaas geplaatst worden.

10.3. Slakken

Naaktslakken kunnen vooral bij koud en nat weer de bonen vrij ernstig beschadigen. Slakkenvreterij is te herkennen aan de vele onregelmatige gaten die tussen de bladnerven zijn uitgevreten. De typische slijmsporen van slakken op de grond en op het gewas zijn goed te herkennen. Ook peulen kunnen aangevreten worden.

10.4. Insecten en mijten

Zwarte bonenluis (Aphis fabae)
Zoals bij vele teelten is de bladluis ook hier een van de belangrijkste belagers. De zwarte bonenluis is een wijdverspreide luizensoort, die heel veel verschillende waardplanten heeft: bonen, tuinbonen, bieten, tuinmelde, kardinaalsmuts, zwarte nachtschade, winde, maïs zijn er enkele van. Deze luizen overwinteren als ei op de sierheesters kardinaalsmuts en sneeuwbal en mogelijk ook als luis op kruidachtige planten. Op het einde van de lente zoeken ze de bonen op en nestelen ze zich in dichte kolonies vooral op de jonge scheuten, bladeren, bladstelen en jonge peulen. Daardoor krullen de bladeren ineen en misvormen de jonge scheuten. Daarbij produceren de luizen een suikerachtige stof die vieze, zwarte plekken op gewas en peul vormt. Luizen zijn ook geduchte overbrengers van virusziekten.
 

Bonenvlieg
(Phorbia platura of Chortophila cilicrura).
Behalve bonen kan deze 4-5 mm grote, grijze vlieg ook spinazie, sla, augurken, sjalot en uien aantasten. De eitjes worden afgezet in de grond nabij het zaad. De witte larven boren zich in de kiemstengel en de zaadlobben, waardoor de jonge kiem sneuvelt. De larven verpoppen dan vlak onder het grondoppervlak. Eens de plant haar eerste bladeren ontwikkeld heeft, wordt ze niet meer door de larve van de bonenvlieg bedreigd.
Er zijn 2 tot 3 generaties per jaar. De eerste generatie verschijnt eind mei, de tweede begin juli en een eventuele derde generatie vanaf half augustus. De pop overwintert.

Preventie:
- Zaai op tijdstippen dat de bonenvlieg niet vliegt. Als je uitzaait rond 10 mei, ontsnappen de planten aan de schade van de eerste generatie.
- Kweek voor.
- Zaai geen bonen kort na spinazie of andere gevoelige gewassen.
- Bemest met mate en gebruik zeker geen verse mest.
- Dille zaaien tussen de bonen, tegen zwarte bonenluis.

Bonenkever (Acanthoscelides obtectus)
Deze kevers berokkenen vooral last aan bonen die voor het zaad worden geteeld. De kevers zetten hun eitjes af op rijpende peulen, waarna de larven zich in het zaad boren. De kevers planten zich voort tijdens de bewaring. De aangetaste zaden zijn doorboord met meerdere gaatjes.

Bestrijding:
De larven, poppen en kevers die in gedroogde bonen aanwezig zijn, vernietig je door de bonen net voor het zaaien een hittebehandeling of een koudebehandeling te geven: 1 uur in een oven op 55°C of een drietal dagen in een diepvriezer is voldoende.

Bonenspintmijt (Tetranychus urticae)
De mijten zijn minder dan 1 mm lang en hebben vier paar poten. Ze zijn geelgroen met twee donkere vlekken aan de voorkant van het lijf. De mijten zuigen aan het blad waardoor dit gele tot bruine vlekjes begint te vertonen en zelfs kan afvallen. Bij een zware aantasting zitten de mijten op fijne spinseldraden die tussen de bladeren en de stengels zijn gesponnen. De mijten overwinteren onder volwassen vorm op beschutte plaatsen: in de bodem, onder de schors van bomen of struiken, op de bonenstaken. De staken afbranden of door vuur halen is de voornaamste preventieve maatregel om de achtergebleven mijten te doden. Natuurlijke vijanden inschakelen kan eventueel ook: de roofmijten Phytoseiulus persimilis en Amblyseius californicus geven goede resultaten.

10.5. Schimmelziekten

Roest (Uromyces phaseoli en U.appendiculatum)
De volledige levenscyclus van deze schimmel verloopt op de bonen. Vooral rassen met een lange groeiperiode (droge bonen) kunnen ernstig aangetast worden. Er komen eerst wit-gele sporen voor op de onderkant van de bladeren, nadien roestkleurige puistjes (zomersporen) en in de late zomer bruin-zwarte wintersporen. Vooral de roestkleurige sporen op het blad en de bruin-zwarte sporen op de droge peulen vallen sterk op. Overwintering gebeurt op zieke plantendelen in de grond en op staken die voor de hoge teelt gebruikt worden.

Grijsrot of grauwe schimmel (Botrytis cinerea)
Deze schimmel tast het gewas vooral aan bij koel en vochtig weer. Grijze schimmelvlekken verschijnen op blad, bloem en ook op de jonge peulen, vaak doordat een vochtige bloemrest aan de punt van de peul blijft hangen en gaat schimmelen (puntrot). Mierikswortel als tussenteelt is gunstig tegen schimmelziekten als Botrytis.

Bonenvlekkenziekte
(Colletotrichum lindemuthianum)
Deze schimmel, die vooral toeslaat bij koel en vochtig weer, veroorzaakt bruine, ingezonken vlekken op peulen, blad en bladsteel. Het mycelium kan ook in het zaad binnendringen, dat daarbij zijn kiemkracht behoudt. In dit geval kan de ziekte reeds in de lente op de kiemplanten verschijnen. De schimmel kan ook overwinteren op dode plantenresten en van daaruit de nieuwe teelt besmetten. Besmet zaad vertoont bruine, diep doorgedrongen vlekken. Vooral droogbonen zijn, door hun langere groeicyclus, hier gevoelig voor.

Sclerotiniarot (Sclerotinia sclerotiorum)
Pleksgewijs verwelken hele planten, waarna de bladeren en stengels volledig afsterven en verdorren. Op de stengels vind je witte schimmelvlokken en in de stengels kan je de zwarte rattenkeutels waarnemen. Deze kiemschimmel behoort tot de groep schimmels die voetziekte veroorzaken.

Van deze vier schimmelziekten is roest de vervelendste. Zoals meestal bij schimmelziekten beperken we ons tot een aantal preventieve maatregelen.

10.6. Bacteriën

Vetvlekkenziekte (Pseudomonas phaseolicola)
Dit keer hebben we met een bacterie af te rekenen, die zich manifesteert in de vorm van glazige, olieachtige, hoekige vlekken op bladeren en peulen, omgeven door een heldergele kring. Enkel resistente rassen kunnen een uitkomst bieden tegen deze niet zo vaak voorkomende ziekte. Wel van belang bij droogbonen.

10.7.Virusziekten

Op bonen voorkomende virusziekten zijn: rolmozaïek, scherpmozaïek, en stippelstreep. Deze ziekten uiten zich door misvorming en/of verkleuring van blad en peul. Bestrijding van bladluizen kan aantasting voorkomen. De bladluizen brengen immers virussen over.

Andere mogelijke ziekten zijn voetziekten, verwelkingsziekten (veroorzaakt door verschillende schimmels waaronder Verticillium-, Fusarium- en Ceratocystis-soorten) en wortelluizen (Smynthurodes betae).

Uit: Handboek Ecologisch Tuinieren, Velt.

Eigenschappen

Hoogte
1 - 200 cm
Winterhard
Neen
PH
Neutraal
Vochtigheid
Droog
Normaal
Vochtig
Licht
Zon

Planten tags

 

4 varieteiten van deze plant

U verkoopt deze plant en wenst hier vermeld te worden? Contacteer ons!