Wil ook jij specifieke informatie ontvangen over jouw tuin?

Heb je reeds een MijnTuin.org account? Aanmelden

Aardappelen

De papa uit het Andesgebergte

Inderdaad, in het oude Rome, dat de barbaren toch ook enige culinaire beschaving bracht, was de aardappel totaal onbekend en ook onze middeleeuwers moesten het zonder die voor ons zo doodgewone veldvrucht stellen. Het duurde immers tot de 16de eeuw vóór een bewoner van het oude Europa, een metgezel van de beroemde conquistador Pizarro, na de ontdekking van Amerika voor het eerst een aardappel te zien kreeg, een soort wortel die daar welig tiert en die, samen met fruit en groenten het dagelijks voedsel vormde van de Indianen uit het Andesgebied in Centraal-Amerika.

De Inca’s noemden die knol ‘papa’. Ze gebruikten hem al eeuwen, in verschillende varianten, als basisvoedsel, en ze waren vertrouwd met het poten, kweken en oogsten van de knol waarover Pierre Gieça de Léon (1550) in zijn Spaanse kroniek schreef: Gekookt zijn de papa’s zo mals als kastanjepuree. Wanneer ze in de zon gedroogd zijn, noem men ze ‘chumo’ en men conserveert ze op die manier ook voor later gebruik. De Spanjaarden, die eigenlijk alleen het goud en de andere schatten van de Inca’s op het oog hadden, hadden slechts in zoverre belangstelling voor de aardknol dat ze hem in grote hoeveelheden gedroogd lieten aanvoeren naar de zilvermijnen in Potosi, waar ze er de Indianen mee voedden die voor hen in die eeuw duizenden tonnen zilver uit de bergen haalden.

Het waren, zoals dat vaker gebeurde, ook in dit geval missionarissen die de nieuwe plant meebrachten naar hun vaderland. Vanuit Quito, de huidige hoofdstad van Ecuador, kwam de aardappel in de tweede helft van de 16de eeuw zo in Spanje terecht. Daarmee kwam er natuurlijk niet op slag een eind aan de voorvaderlijke eetgewoonten, die gedomineerd werden door het brood, dat lang niet altijd van echt graan gemaakt was, maar vaak gebakken werd uit een mengsel van rogge, eikels, bonen en kastanjes, waarbij in tijden van hongersnood (die zelden voorkwamen) zelfs aarde gevoegd werd.

 

Van rariteit voor edelen tot volksvoedsel

De aardappel was aanvankelijk een zeldzaam gewas dat slechts edelen onder ogen kregen en dat dan nog alleen in Spanje en iets later ook in Italië. Reeds in 1565 stuurde de vrome koning Filips II een mandje aardappelen naar Paus Pius IV, met de boodschap dat die veldvruchten de wonderbare eigenschap hadden reumapijnen te verlichten. Er zijn geen historische bewijzen aan te halen voor het vermoeden dat de snelle verspreiding van de aardappel over heel Italië in de zeventiger jaren van de paus door die overzeese knol. Hoe dan ook, de Italianen waren gek van wat zij de Tartuffolo noemden, de kleine truffel. Van die naam zullen de Duitsers later hun Kartoffel afleiden. In Engeland duurde het nog wel even voor de aardappel bekend werd. Daar werd hij voor het eerst gesignaleerd in de kolonie Veriginia, waar Sir Francis Drake voor de karig gevoede kolonisten een paar zakken aardappelen achterliet, die hij zelf buitgemaakt had in op de Spanjaarden. De kolonisten aten en plantten de vruchten en toen ze, na de mislukte kolonisatie, 1856 naar Engeland gerepatrieerd werden, namen ze de aardappelen mee. Daar kwam hij volop in de belangstelling met het werk van de botanicus Gérard, die in 1596 zijn ‘Herball’ liet verschijnen met op de kaft zijn portret, getekend met een aardappelplant in de hand. Met de plant hadden de Engelsen ook de naam ervan van de Spanjaarden geroofd, weliswaar verbasterd tot ‘Potato’.

Ierland was het eerste land waar aardappelen op grote schaal verbouwd werden. Daar waren er in 1663 immers flink wat aangespoeld, herkomstig van Spaans schepen die, met aardappelen aan boord, uit Peru terugkeerden en voor de Ierse kust vergingen. De Ieren, die eens te meer honger leden doordat het wintergraan bevroren was, begonnen daarop de aardappelen te telen om hun eetbare knollen. Een 16de eeuwse Vlaamse aardappelpromotor 1588 is een gedenkwaardig jaar voor aardappelminnend Midden- en Noor-Europa. Toen namelijk kreeg de Vlaamse plantkundige Carolus Clusius van de gouverneur van Mons (Bergen) een tweetal aardappelzaailingen, die de gouverneur zelf van een kennis van de pauselijke gezant had gekregen. Clusius, die geboren was als Charles de l’Escluse in Atrecht (Arras), dat toen in het Graafschap Vlaanderen lag, werkte op dat ogenblik als intendant van de keizerlijke tuinen te Wenen. Hij plantte de aardappelen uit en liet ze bloeien en vrucht dragen. Het hele proces beschreef hij minutieus in zijn Rariorum Plantarum Historia (De geschiednis van zeldzame planten). Beschrijving en tekeningen in zijn boek maakten de aardappel bekend over heel de westelijke wereld. De geleerde zelf schoot ook geen wortel in Wenen: hij bereisde heel Europa en verbleef langere tijd in Frankfurt en Leiden, waar hij naast de plataan, de schorseneer, de sperzieboon en de jasmijn ook de aardappel bekend maakte. Van de aardappelen in zijn tuintjes schonk hij plantjes of plantgoed aan geleerde collega’s elders in Europa.

Daarmee raakte de aardappel pas goed overal bekend. Hij werd nogal eens verward met de meelachtige wortelknol van da cassave of met de Ipomoea batata, de zoete aardappel, die de Spanjaarden “batata” noemden en de Engelsen “potato” en waaraan ook wij, zo lang door Spanje bezet, de volkse benaming “patat” overhielden.

In zowat heel Europa, maar vooral in de achttiende eeuw langzaamaan het volksvoedsel bij uitstek. Dat hij in ons klimaat makkelijk te kweken en tegelijk erg voedzaam is, zal daar wel de voornaamste oorzaak van geweest zijn. Het bleek immers ook in dit geval dat ‘de boer niet eet wat hij niet kent’ en dat de aardappel eerst heel wat tegenstand ondervond voor hij goudgeel en kruimig in aardewerk schalen op de boerentafels prijkte. Er waren redenen genoeg om die nieuwe veldvrucht grondig te wantrouwen. Zo bleken het lof en de bessen van de plant al snel giftig te zijn: waarom zouden de ondergrondse knollen dan ook niet ongezond zij? Waarom trouwens moest de aardappelplant zichzelf vermenigvuldigen door knollen en niet zoals alle bekende Europese gewassen door zaad? Ook daar zou de duivel wel het fijne van weten. Die had er trouwens ook wat mee te maken dat de aardappel vaak zo vreemd en grillig van vorm was.

Van medicijn tot ‘dagelijks brood’

Voor de enen had de aardappel genezende kracht of was hij een probaat middel om de wat teruglopende liefdeskrachten van oudere heren nieuw eland te geven; voor de anderen kon je er allerlei ziekten van krijgen, van lepra tot syfilis. Nog in de achttiende eeuw weigerden daarom Russische boeren de griezelige aardappelen te verbouwen, al stierven ze van honger tengevolge van de mislukte graanoogst. De Pruisische vorst Frederik Willem I (1688-1740) moest zijn onderdanen ertoe dwingen aardappelen te telen door ermee te dreigen hun oren en neus af te snijden als ze geen gevolg gaven aan zijn bevel. Koning Frederik II kon zijn onderdanen er pas echt toe bewegen aardappelen te verbouwen, door zich ten aanschouwen van ontzette en van afkeer kokhalzende inwoners van Breslau op een balkon een schaal dampend hete aardappelen te laten opdienen en die smakelijk tot zich te nemen. Pas na een aantal lokale gevallen van hongersnood en misoogst ging de bevolking van enkele kleinere gebieden (Ierland en het Duiste Bamberg) ertoe over zich massaal met aardappelen te voeden.

Tijdens de Oostenrijkse overheersing van onze gewesten (rond 1750) raakte de aardappel algemeen verspreid in de Zuidelijke Nederlanden. Vanaf 1763 produceerden de boeren er hier zelf zoveel dat men ze kon exporteren naar Groot-Brittanië. Tijdens de Brabantse Omwenteling (1787) zouden de opstandelingen de Oostenrijkse troepen zelfs met aardappels bekogeld hebben, wat hoe dan ook bewijst dat het hier niet meer om zeldzame akkervruchten ging.

In Frankrijk duurde het wel erg lang vooraleer de aardappel ingeburgerd raakte, al was het daar aan het Franse hof zelfs een korte tijd mode de lila en rose bloempjes van de aardappelplant als corsage te dragen. Het staat wel vast dat de Franse naam ‘pomme de terre’ niets meer is dan een vertaling van het Nederlandse ‘aardappel’, maar de oorsprong van de groeiende bekendheid van de aardappel in Frankrijk moet veeleer in Duitsland gezocht worden. Daar had immers de apotheker Antoine Auguste Parmentier tijdens zijn gevangenschap in de zevenjarige oorlog aardappelen te eten gekregen. Dat was hem zo bevallen dat hij de vrucht ook in Frankrijk wou introduceren. Daarvoor kreeg hij de steun van Louis XVI, die een aantal bekenden uit die tijd, zoals Benjamin Franklin en Lavoisier, op een dinertje uitnogdigde en ze daar uitsluitend aardappelen voorzette, op de meest diverse manieren klaargemaakt. Het succes was unaniem. Parmentier kreeg van de koning in 1783 de toelating op ‘Les Sablons’, een onvruchtbare vlakte bij de poorten van Parijs, de nieuwe vrucht de verbouwen. De aardappelen bleken voortreffelijk te groeien in de zanderige grond. ’s Nachts liet hij de bij dag opvallend patrouillerende koninklijke soldaten in de kazerne en het duurde niet lang voor links en rechts stukjes veld ’s morgens omgewoeld bleken te zijn, ongetwijfeld door landbouwers uit de buurt, die zelf ook wel eens wat wilden van wat er op de velden des konings groeide. Daarmee was het doel bereikt: het volk ging eten wat het had leren kennen als delicatesse voor de koning. Toen Parmentier eens een bloeiende aardappelstruik aan de koning overhandigde, bedankte die hem met de woorden “Frankrijk zal u ooit danken dat u het brood voor de armen hebt gevonden.” Parmentiers naam is blijven bestaan in menig aardappelgerecht à la Parmentier en in de potage Parmentier, natuurlijk een aardappelsoep.

De aardappel werd in de komende decennia inderdaad het volksvoedsel bij uitstek in Europa. Dat veroorzaakte echter ook dat geheimzinnige aardappelziekten, vooral in Ierland en in Vlaanderen – waar in 1845 vrijwel de totale oogst verloren ging – verschrikkelijke hongersnood met zich mee bracht.

Verdeling en verbetering

De aardappelen uit die tijd kunnen de vergelijking met onze hedendaagse veredelde soorten natuurlijk helemaal niet doorstaan. Vooral in Nederland is hard werk gemaakt van de rasverbetering en van het zoeken naar de beste teelmethoden. Het bekendste voorval uit die moeizame geschiedenis betreft het ontstaan van de alom bekende en gewaardeerde ‘bintjes’.In het begin van de 20ste eeuw was er in het Friese dorpje Suameer een onderwijzer, meester de Vries, die bezeten was van aardappelen en die al zijn vrije tijd besteedde aan aardappelexperimenten. Hij kruiste bekende rassen en kweekte zo nieuwe variëteiten die hij telkens de naam gaf van een van zijn negen kinderen. Toen hij een tiende nieuw aardappelras gekweekt had, vernoemde hij dat naar een meisje uit zijn klas, Bintje Jansma. Precies die aardappel werd wereldberoemd. Tegenwoordig is de veredeling van de aardappelteelt geen hobby van onderwijzers meer. Gespecialiseerde wetenschapslui houden zich vandaag vooral bezig met da kwaliteit en de gezondheid van de zowat 150 aardappelrassen die nu geteeld worden. Die zorg start bij de pootaardappel, bewaakt zorgvuldig alle fasen van de groei van het gewas (voldoende beregening, bescherming tegen luizen, enz.) en is alert aanwezig bij de oogst, waar factoren als de diepte van de rooischaren, de rijsnelheid van de oogstmachine en de valhoogte van de pas gerooide aardappelen mede de kwaliteit van de geoogste vruchten bepalen. Bij het bewaren van de aardappelen is vooral de gepaste temperatuur van uitzonderlijk belang, o.m. suikervorming in de aardappel te voorkomen. Zorgvuldige sortering van de aardappel (naar vorm en grootte), waarbij ook gespeurd wordt naar rotte plekjes e.d. is de laatste stap op de weg van de aardappel van het veld naar de winkel en vervolgens naar de tevreden verbruiker.

Voor die veeleisende verbruiker brengt men in België sinds de oogst van september ’89 aardappelen met A-label op de markt, aardappelen van topkwaliteit dus. De Nationale Dienst voor de Afzet van Land- en Tuinbouwproducten geeft de producenten de toestemming het A-label te gebruiken voor in België geteelde consumptieaardappelen met vaste schil van de variëteit “Bintje”. Verder moeten A-aardappelen schoongeborsteld of gewassen en gedroogd zijn, zonder uitwendige gebreken, met een minimum aan oppervlakkig schurft, zonder inwendige tekortkomingen en met en onderwatergewicht van minimum 370 g. Ze moeten ook een vast formaat hebben en verpakt worden in de door de Dienst voorgeschreven papieren verpakkingen van 2.5 tot 25 kg. Bij het koken of bakken mogen ze niet uit elkaar vallen of verkleuringen krijgen en bij het frituren mogen ze niet bruin bakken. U ziet het: voor de moderne veeleisende consument aardappelen kweken is geen sinecure. In Nederland speelt het Productschap voor Aardappelen de belangrijkste rol bij de kwaliteitsbewaking.

Van Bintje en andere soorten

Het bintje is een halfvroege aardappelsoort met grote, onregelmatige, ovale knollen met een gladde blankgele schil met daarin zeer ondiepe ogen. Het kruim ervan is lichtgeel en na het koken blijven ze stevig en weinig bloemig, terwijl de smaak ronduit goed is. Deze variëteit bewaart ook lang. Daarmee hebt u een voorbeeld van een zowat volledige aardappelsoortbeschrijving waarbij dus aanbod komen: de vorm van de knol, de schil, de ogen, het kruim, het uitzicht na het koken, de smaak, de periode van rijping en de duurzaamheid. Tot de vroeger aardappelen rekent men o.m. de Eersteling, de Rode Eersteling en de Doré. Naast het bintje (ook wel de Gelderse of Dikke Muis genoemd) behoren ook de Eigenheimer en de IJsselsterren tot de half-vroege soorten. Bij de late soorten vindt men o.a. de Pimernel, de Rode Star en de Gineke. Van de honderden andere soorten zijn nog erg bekend Saskia, Vera, Majestic, Kennebec, Ackerseghen, Muizen en Polders. Er zijn ook aardappelsoorten met nogal afwijkende kenmerken: ze hebben b.v. rode, paarse, gevlekte of gestreepte vruchten. Natuurlijk is de aardappel niet de enige eetbare knol ter wereld: er zijn ook nog de rode en de witte zoete aardappelen of bataten (eigenlijk helemaal geen familie van de aardappel, die behoort tot de nachtschadeachtigen), de Middenamerikaanse cassavewortel (waaruit het tapiocameel gemaakt wordt), de taro of aronswortel van de Caraïbische eilanden, de tropische yam en de Noordamerikaanse, nootachtig smakende topinamboer of aardpeer.

Zoals de naam van de zoete aardappel, de bataat, in een aantal landen en streken de oorsprong is van de naam voor de aardappel (patat, batata, potato), zo wordt ook de naam van de aardpeer wel voor de aardappel gebruikt. Dat is met name het geval in sommige streken van Duistland, waar het gewas “Grundbirne” (aardpeer) genoemd wordt. Het Luikerwaalse dialect kent het woord “compîre” voor aardappel en dat woord komt ook in de Nederlandse dialecten van de Voerstreek voor.

Dichte of verre neven en nichten van de aardappel zijn o.m. de tomaat, de rode pepers, de paprika, de aubergine en de tabaksplant, alle telgen uit de familie der nachtschades. Eigenlijk zijn de bessen van de aardappel te vergelijken met tomaten. Ze zijn weliswaar giftig maar ze bevatten ook de zaadjes van de plant. Alleen zou het veel te lang duren als we de voortplanting van de aardappel met da zaadjes zouden aanpakken. Het telen met zorgvuldig geselecteerde pootaardappelen, die in normale grond elk weer voor 10 tot 15 nieuwe aardappelen zorgen, rendeert veel beter. De meeste bewaaraardappelen worden in het najaar geoogst, als het loof begint te verdorren. Dan merk je hoe de pootaardappel volledig verschrompeld is: hij heeft immers al zijn voedsel opgebruikt voor de ontwikkeling van de plant.

Aardappelen voor het behang en voor het granituur

Al worden grote hoeveelheden aardappelen door de industrie verwerkt tot aardappelzetmeel, glucose, dextrine, allerlei stijfmiddelen (o.m. voor behangerslijm) en zelf namaaktapioca, toch worden de meeste van deze vruchten nog in een of andere vorm bereid tot voedsel voor arm en rijk. De aardappelen voor de fabriek zijn trouwens lang niet van dezelfde kwaliteit als de piepers die we op tafel krijgen. Het gaat hier om soorten die minder geschikt zijn voor menselijke consumptie. 

Hoeveel aardappelen we precies eten, is niet zo duidelijk, in elk geval heel wat minder dan een eeuw geleden, toen onze voorouders zowat een kilo aardappelen per dag tussen de kiezen kregen. Nu is dat nog 180 à 200 gram, waarmee aangetoond wordt dat mensen minder aardappelen eten naar mate de welvaart stijgt. De aardappel wordt trouwens vaak minder als voedsel dan als garnituur van een gerecht geserveerd in allerlei geraffineerde vormen en bereidingen. De voedselindustrie verkoopt tegenwoordig ook steeds meer verschillende aardappelbereidingen, al dan niet uit de diepvries. Zo kennen we niet alleen de chips en velerlei vorm en smaak, de voorgebakken frietjes, de kroketten, de van oorsprong Zwitserse rösti, maar ook de veel verkochte aardappelvlokken en de minder succesrijke aardappelen in blik. Het vroeger zo massaal gefabriceerde aardappelzetmeel wordt tegenwoordig meer en meer vervangen door allerlei instant bindmiddelen.

Gezond of ongezond

Als men van iemand zegt dat hij aardappelbloed heeft, dan bedoelt men dat hij er bleek en ziekelijk uitziet. Daarmee doet men de aardappel onrecht aan. Aardappelen zijn immers niet ongezond! Men kan zich ook afvragen of de verminderde consumptie van aardappelen in onze streken iets te maken heeft met beweringen als : ‘Van aardappelen word je dik’ of ‘Een aardappel heeft vrijwel geen voedingswaarde!’ of nog ‘Al dat aardappelzetmeel is ongezond’. Drie vierkante beweringen; drie pertinente vergissingen. Verse of gekookte aardappelen bevatten immers slechts iets meer dan een derde van de calorieën van een zelfde hoeveelheid wittebrood en niet meer dan een vierde van de calorische waarde van rijst of deegwaren. Niet de aardappel maakt dik, maar wel b.v. de vetrijke sausen die men erbij eet. In aardappelen zit bijna evenveel vitamine C als in de meeste fruitsoorten en 300g aardappelen bezorgen ons een vierde van onze dagelijkse behoefte aan vitamines B. Ze geven ons bijna 30% van onze behoefte aan magnesium en ijzer en 50% van de kalium die levensnoodzakelijk is voor ons hartritme. Tenslotte is de aardappel een van de weinige plantaardige voedselsoorten die ons de essentiële aminozuren leveren die de bouwstoffen worden voor onze spieren. Uit dit alles blijkt de grote energiewaarde van aardappelen. Dat een aardappel een rijke zetmeelmijn is, kan niet ontkend worden. Toch is dat precies een goede zaak omdat aardappelzetmeel van het ‘trage glucidetype’ is en die trage glucides hebben we echt nodig. Zij maken het door hun trage energieafgifte mogelijk dat we bepaalde inspanningen lang kunnen volhouden. Het is een goede zaak dat de caloriearme aardappel met zijn grote energiewaarde ons die trage gluciden kan leveren.

Houd ze voedzaam en maak ze lekker

Opdat aardappelen hun voedingswaarde zoveel mogelijk zouden behouden, moeten wij er wel aan denken om:

-ze niet te dik te schillen (direct onder de schil zitten immers de meeste eiwitten) -ze niet te lang in water te laten staan (waarbij oplosbare voedingsstoffen in het water kunnen oplossen), -ze niet te traag in veel water op te warmen (afbraak van vitamine C en andere voedzame stoffen), en -ze niet te lang te bewaren (wat het vitamine C-gehalte doet dalen).

Ook het verwerken tot puree doet men het best niet al te vaak: door het onderkloppen van veel lucht in de aardappelmassa oxydeert immers de vitamine C

Wie goede gekookte aardappelen op zijn bord wil, moet de volgende gouden regels in acht nemen:

1. Borstel de aardappelen schoon en kook ze in de schil of schil ze heel dun. 2. Leg de geschilde aardappelen onmiddellijk onder water om verkleuren te voorkomen. 3. Doe de aardappelen in hun geheel in zo weinig mogelijk water met slechts heel weinig zout en breng ze zo vlug mogelijk aan de kook in een gesloten pan. Kook de aardappelen in de microgolfoven zonder water. 4. Laat de meeste soorten aardappelen 15 à 20 minuten koken en voel dan voorzichtig met een vork of ze gaar zijn. 5. Giet de gare aardappelen af en laat ze nog heel even zonder deksel droog stomenn. 6. Zet je huisgenoten elke dag vers gekookte aardappelen voor.

15 keukentips bij de aardappelbereiding

*Voor het versnijden van de aardappel kan je op heel wat meer instrumenten een beroep doen dan alleen op het aloude aardappelmesje. Met de dunschiller laat je al de vitamines en de eiwitten aan de aardappel in plaats van ze met de schil weg te gooien. Verder zijn er allerlei frites-, wafel- en chipssnijders op de markt en voor de kleine aardappelballetjes kan je een aardappelrondertje kopen. *Als je aardappelen in de schil wil bakken op de ovenplaat, dan kunnen ze daar wel eens aan blijven kleven. Dat kan je voorkomen door wat zout op de plaat te strooien. *Als je voor het bakken de aardappelen in nootvorm snijdt (met de aardappelronder) dan kan je ze tijdens het bakken handig in de pan laten rollen. *Het is niet zo goed puree van tevoren al klaar te maken dan op te warmen. Als dat toch moet, werk dan eerst wat boter door de puree en giet er dan een flinke scheut melk bovenop. Warm de puree zo op en roer hem om net voor het opdienen. *Bij het kiezen van het juiste frituurvet moet je er rekening mee houden dat het vet aan hoge temperaturen moet kunnen weerstaan. Je kan plantaardig of dierlijk vet gebruiken. De meeste mensen gebruiken hiervoor  arachideolie maar je kan ook frituurolie op basis van kokos nemen. Die moet je dan wel regelmatig verversen. Rundervet geeft een bijzonder fijne smaak aan je frietjes. Gebruik daarvoor steeds één deel reuzel op twee delen rundervet. *Nieuwe aardappelen kook je het best met de schil. Je kan dat trouwens ook rustig opeten. *In de schil gekookte aardappelen kan je makkelijk pellen als je ze eerst even onder de koude kraan laat ‘schrikken’. *Als je de aardappelen wil snijden als ze nog heet zijn, doop dan je mes af en toe in kokend water. Dan kleven ze niet aan je mes. *Koop nieuwe aardappelen nooit te lang voor je ze eet. Bewaar ze (niet te lang) in een open mand. *Kleine krielaardappeltjes heb je zo schoon als je ze even in water legt en met een schuursponsje wrijft. Het dunne schilletje komt zo mee. *Als je aardappelen schilt, een tijdje voor je ze gaat koken, doe ze dan in een kom met koud water. Anders worden ze zwart en dat maakt ze, hoewel niet minder gezond, toch minder aantrekkelijk. *Draag aardappelen nooit los met andere groenten in je boodschappentas. Misschien zijn ze chemisch gesproeid en dat gif is niet bestemd voor consumptie. *Als je nog een aardappelvoorraad wil aanleggen, probeer ze dan, bij voorkeur in de tweede helft van november, op hoopjes van ong. 60cm hoog te bewaren op een temperatuur tussen 6 en 10°C. Bescherm ze tegen vorst, licht, hitte en vocht. *Bestrooi je aardappelvoorraad bij het inslaan matig met groeiremmende hormonen om zo spruitvorming tegen te gaan en de aardappelen hun vaste vorm, hun smaak en hun voedingswaarde te laten behouden. *Als je aardappelen in aluminiumfolie in de oven bakt, dan kan de schil wel iets minder lekker zijn, terwijl het kruim heel wat zachter is.



Reacties

Er zijn nog geen reacties.

Log in om een reactie te plaatsen