Wil ook jij specifieke informatie ontvangen over jouw tuin?

Heb je reeds een MijnTuin.org account? Aanmelden

Afbraakmechanismen in de tuin

De belangrijkste afbraakorganismen, zowel in de bodem als in de compost, zijn de micro-organismen. Ieder organisme op zich is zo klein dat het niet met het blote oog kan waargenomen worden. Micro-organismen zijn niet in staat om voedseldeeltjes op te nemen. Ze verteren hun voedsel uitwendig door via hun celwand enzymen in de omgeving te brengen.

De afbraakmechanismen in onze tuin

Enzymen zijn organische stoffen die een actieve rol spelen tijdens biochemische (afbraak en andere) processen. Voor ieder proces zijn een aantal specifieke enzymen verantwoordelijk. De afbraakenzymen die de micro-organismen in de bodem en de compost brengen, breken er eiwitten, vetten, cellulose, houtstof en andere verbindingen af waaruit het afval bestaat. De afvalstoffen worden daardoor zacht ('verrot', 'vermolmd'…) en de voedingsstoffen opneembaar doorheen de celwand ven de micro-organismen. Ook de grotere afbraakorganismen varen hier wel bij, enerzijds kunnen ze zich ook makkelijker voeden met het vóórverteerde materiaal, anderzijds zijn de massa's snel aangroeiende bacteriën en schimmels ook een favoriete voedselbron voor wormen, springstaarten en andere kleine ongewervelden. Langs de andere kant is het voor de micro-organismen een goede zaak dat mijten, miljoenpoten en andere knabbelaars met hun stevige monddelen het afval in kleine stukjes snipperen zodat het totale oppervlak aanmerkelijk verhoogt. Zij kunnen immers het afval enkel aan het oppervlak te lijf gaan. En hun groter dat is, des te sneller de vertering verloopt. Zowel bacteriën als schimmels hebben een behoorlijke vochtbehoefte om optimaal te kunnen werken. In te droog materiaal vallen ze stil en met hen het verteringsproces. In tegenstelling tot de hierna vernoemde kleine ongewervelden zijn (bepaalde) micro-organismen erg goed bestand tegen hoge temperatuur (>30 tot 60 à 70°C) die ze door hun intense activiteit ook zelf teweegbrengen.

 

Wormen

Van alle compost organismen springen de  wormen zeker het meest in het oog. Velen 'meten' zelfs de kwaliteit van hun compost aan het aantal wormen dat ze erin terugvinden. Als liefhebbers van vochtig en voedselrijk materiaal leven en vermenigvuldigen ze zich immers precies onder die omstandigheden die ook voor de meeste andere afbraakorganismen ideaal zijn. Daarenboven hebben hun uitwerpselen precies die structuur die goed past bij ons beeld van goed verteerde compost: donker en kruimelig. Behalve door de fysische rol die compostwormen spelen bij het fijnmaken van het organisch materiaal, ligt hun belang vooral in de sterke toename van de microbiële activiteit die hun aanwezigheid tot gevolg heeft. De kleine rode compostworm (Eisenia fetida) komt van nature in de strooisellaag van onze bossen voor maar heeft zich uitstekend aangepast aan het leven in de composthoop. Zijn donkere (camouflage)kleur, zijn snelle voortplanting en de gele slechtriekende (>fetida) vloeistof die hij bij gevaar afscheidt, beschermen hem tegen de talrijke belagers die het op hem gemunt hebben. Als bewoner van de bovenste centimeters van de bodem kruipt hij immers nooit ver weg. Dit in tegenstelling tot de regenworm ( Lumbricus terrestris) die als echte grondbewoner zelden of nooit in de composthoop voorkomt. Het heeft dan ook geen zin om regenwormen uit de grond te halen en in het compostvat te brengen. Ze duiken zo snel mogelijk terug de grond in... Niettemin speelt de regenworm in de bodem een uitermate belangrijke rol. Hij graaft diepe gangen waarmee hij de bodem verlucht en draineert. In zijn spijsverteringskanaal vermengt hij gronddeeltjes met het organisch materiaal waaruit hij zijn voedsel haalt. Dat voedsel (bvb. herfstbladeren of halfverteerde compost) trekt hij eerst in zijn gang. Daar wordt het voorverteerd door de micro-organismen die zich in de luchtige, vochtige en voedselrijke omgeving snel ontwikkelen. Later komt de worm terug en voedt zich…met de microbiële massa waarin het materiaal ondertussen is veranderd.

Springstaarten

Springstaarten (orde Collembola) zijn kleine, primitieve insecten. Ze werden teruggevonden in 280 miljoen jaar oude fossiele gesteenten, dit is nog vóór de opkomst van de reuzendinosauriërs. In de vrije natuur komen springstaarten voornamelijk voor in de strooisellaag en in de bovenste centimeter van de bodem. Het lichaam bestaat uit een kop, een borststuk en een achterlijf. Het achterlijf draagt de springvork, een raffelvormig uitsteeksel dat in rust onder het lichaam naar voren geplakt is en dan door een haakje wordt vastgehouden. Door de springvork te laten schieten, kunnen de springstaart in verhouding met hun afmeting grote sprongen maken. Bij sommige soorten is deze staart zo rudimentair ontwikkeld dat ermee springen uitgasloten is. Springstaarten voeden zich in de bodem en in de compost met afgestorven plantaardig en dierlijk materiaal. Een belangrijke rol in de afbraak van het organisch materiaal spelen ze door het 'begrazen' van schimmels en hun sporen. Schimmels zijn in staat om voedingsstoffen te onttrekken aan moeilijk afbreekbare materialen zoals hout. Door zich met de schimmels te voeden, brengen de springstaarten de voedingsstoffen via hun uitwerpselen opnieuw in het milieu. De bacteriën zetten de voedselketen verder en sluiten de kringloop door de voedingselementen opnieuw beschikbaar te maken voor de planten.

Mijten

De mijten vormen een aparte orde binnen de klasse van de spinachtigen. Ze hebben een lengte van 0,1 tot 30 mm en zoals alle spinachtigen acht poten. Bepaalde mijten verteren hun voedsel door het ter besprenkelen met speeksel dat afbraakenzymen bevat om het nadien in vloeibare vorm op te nemen. Mosmijten maken rottende bladeren, hout, schimmels en algen fijn met speciale organen en nemen het vervolgens als kleine deeltjes op. Door het afval te verkleinen vergroten ze de oppervlakte van het afval en verhogen daarbij vele duizenden keren het oppervlak waarop nadien schimmels en bacteriën hun afbraakwerk kunnen verder zetten. Roofmijten eten andere mijten en springstaarten.

Duizendpoten

De duizendpoot is een uitgesproken jager en zijn lichaam is daaraan aangepast. Hij beweegt zich snel doorheen de bovenste centimeters van de bodem, tussen de afgevallen bladeren en andere afgestorven plantendelen in de strooisellaag. Zijn afgeplat komt hem daarbij goed van pas. Het laat hem toe weg te kruipen of achter een prooi aan te gaan onder een steen of een stuk loszittende schors. De stijve segmenten waaruit zijn geleed lichaam is opgebouwd, bewegen zich min of meer telescopisch ten opzichte van elkaar zodat hij zich toch zeer soepel kan bewegen. Ieder segment bezit 1 paar poten, ze zitten aan de zijkant van het lichaam. De duizendpoot gaat kronkelend vooruit. Dit doet overigens niets af aan de indrukwekkende snelheid die hij daarbij haalt. De kop van de duizendpoot is steeds naar voor en zelfs enigszins naar boven gericht. Door middel van zijn twee lange antennes, op hun beurt voorzien van fijne tasthaartjes, neemt hij de aanwezigheid waar van mogelijke prooidieren. Deze worden verdoofd met behulp van een paar gifkaken, opengemaakt met de twee bovenkaken en twee paar onderkaken, vervolgens overgoten met verteringssap en tenslotte leeggezogen. Van zij prooi, die meestal bestaat uit insecten en andere kleine geleedpotigen, blijft niets anders over dan het chitinepantser. De meest gekende duizendpoot is de steenloper. Hij komt voor in de bovenste grondlagen en jaagt er op kleine ongewervelden, larven en regenwormen. Hjij is 2,5 tot 5 cm lang en telt 15 paar poten waarvan het eerste is omgevormd tot gifkaken en het laatste als een tang kan worden toegeknepen. De gele tuinduizendpoot is gelig van kleur, lang en smal (± 4 cm) en heeft een zeer groot aantal poten. Hij leeft in diepere grondlagen dan de steenloper. Op zijn menu staan onder andere regenwormen waarvan hij tevens de gangen gebruikt om zich diep in de grond in te begeven. Als rovers vervullen de duizendpoten een belangrijke functie in de voedselketen van bodem en compost. Door andere afbraakorganismen te verorberen, brengen ze de voedingsstoffen via hun uitwerpselen opnieuw in omloop.

Miljoenpoten

Miljoenpoeten zijn, op enkele soorten na, afvaleters. Het lichaam is gesegmenteerd . De segmenten zitten dichter opeen dan bij de duizendpoot en bevatten twee paar poten (1 paar bij de duizendpoot). Vandaar de naam Diplopoda wat dubbelpotigen betekent. De miljoenpoot kan zich als een worm in de grond graven. De vele kleine pootjes onderaan het lichaam helpen bij het wegwerken van de grond. De kop is steeds naar beneden gericht als een soort stootram. De voorste monddelen hebben zich tot sterke kaken ontwikkeld waarmee ze het afval dat ze op hun weg tegenkomen fijnmalen. De meest voorkomende miljoenpoot in onze bodems en compost is de zogenaamde witpoot, wormrond en ongeveer 3 cm lang. We vinden hem in de bodem vaak opgerold in een spiraal met het hoofd in het midden. Veel voorkomend in de strooisellaag van bossen is de oproller. Wanneer hij aangevallen wordt, rolt hij zich op tot een klein bolletje en beschermt op die manier zijn buikzijde. Hij is 7-20 mm lang, lijkt sterk op de rolpissebed maar heeft 13 rugsegmenten, de rolpissebed slechts 7. De oproller leeft ondermeer van rottend loof, paddestoelen en mossen.

Pissebedden

Pissebedden (orde Isopoda) zijn de enige op het land levende kreeftachtigen. Het blauwgrijze of zwartbruine lichaam is 1 tot 2 cm lang, de rugzijde is min of meer bol, de buikzijde enigszins hol. Kop en achterlijf zijn klein. Het borststuk bestaat uit zeven harde, elkaar overlappende platen die het dier evenwel niet waterdicht afsluiten. Verdamping maakt het dier daarom extra gevoelig voor droogte en zonlicht. Pissebedden bezitten 7 paar poten. De meeste soorten vervellen gedurende hun leven tien maal en telkens wordt de afgeworpen huid door het dier zelf opgegeten. De ademhaling vindt plaats via sterk vertakte adembuisjes die langs de achterpoten lopen. Ze monden uit in een soort kieuwen die als witte vlekjes herkenbaar zijn tussen de het laatste paar poten. De kieuwen en de ingeademde lucht moeten steeds vochtig zijn. Geen toeval dus dat we pissebedden steeds terugvinden op vochtige plaatsen: onder stenen, tussen bladeren ... en dat ze vooral 's nacht tevoorschijn komen. In de compost treffen we pissebedden eigenaardig genoeg meestal aan in de drogere buitenkant van het materiaal. Dat heeft te maken met twee factoren. Enerzijds kunnen de pissebedden met hun log pantser zich moeilijk als een worm binnenin de vochtige composterende massa wringen, in de meer uitgedroogde buitenste luchtige zone kunnen ze zich beter voortbewegen. Anderzijds kunnen ze op die plaats wel genieten van de vochtige lucht die door het hart van de compost wordt verdampt. Afhankelijk van het milieu waarin de dieren leven, voeden ze zich met rottende planten, resten van dode dieren of ander organisch materiaal zoals hout dat ze kunnen verteren met behulp van een speciaal enzym dat cellulose afbreekt. Leven ze op zeer voedselarm afval dan laten ze hun voedsel twee maal door hun verteringskanaal passeren om er zoveel mogelijk voedende bestanddelen uit te halen. De twee meest algemene pissebedden in Europa zijn de gewone pissebed, een klein zwart diertje met twee rijen gele vlekken op de rug, en de kelderpissebed, een blauwgrijze soort. De rolpissebed kan zich als een gordeldier oprollen en beschermt zich aldus tegen vijanden en uitdrogen.

Mieren

Minder (h)erkend als afbraakorganismen zijn de mieren. Nochtans spelen ze in de natuur een belangrijke rol bij het opruimen van dierlijke en plantaardige resten. Dat ze wel eens durven bijten of zich in colonne naar de snoepkast begeven, heeft ze echter een kwalijke reputatie bezorgd. De zwarte wegmier komt het meest in onze tuinen en compostvaten voor. Ze maken nesten van verschillende kamers en zijn dol op zoetigheid. Wegmieren proberen zoveel mogelijk voedsel naar hun nest te verslepen of ze maken hun nest dicht bij een voedselbron. Nochtans vormen ze zelden een echt probleem in de compost. Ze helpen integendeel mee aan het verteringsproces en maken een natuurlijk deel uit van de complexe leefgemeenschap. Meestal vinden we de mierennesten terug in de best verteerde compost in het vat of de wormenbak. Een enkele keer ook in het meer verse materiaal. Wordt het nest grondig verstoord dan zoekt de kolonie een ander onderkomen of gaat ze volledig verloren. Nog maar een reden dus om de compost regelmatig om te zetten.

Fruitvliegjes

Voor heel wat composteerders vormen fruitvliegjes een behoorlijk probleem. Vooral bij warm weer en bij wie veel groente- en fruitresten composteert kan hun aantal fenomenaal worden. Vooral gebruikers van een compostvat hebben bij het openen wel eens met een wolk fruitvliegjes te maken. Op zich zijn de fruitvliegjes zeker niet schadelijk. Hun kleine, onooglijke larven werken immers mee aan de afbraak van het organisch materiaal. Hoe kunnen we het probleem tot een minimum beperken? Het 'groene' keukenafval mengen met voldoende 'bruin' materiaal. Regelmatig beluchten met de beluchtingstok Het composterend materiaal afdekken met rijpe compost, grasmaaisel, grote (rabarber)bladeren… zodat de volwassen fruitvliegjes er niet opnieuw toegang toe hebben. Het vat enkele dagen laten open staan Ook de sterke geur van ondermeer selder en walnootbladeren zou helpen. Wie het probleem bijna onder controle heeft kan de laatste problemen opvangen' door een kleefstrip in het vat te hangen (gebruik een merk dat geen insecticide bevat !).

Bron : www.Vlaco.be



Reacties

Er zijn nog geen reacties.

Log in om een reactie te plaatsen