Wil ook jij specifieke informatie ontvangen over jouw tuin?

Heb je reeds een MijnTuin.org account? Aanmelden

De teelt van fruitbomen

Hoe zit een fruitboom in elkaar?
Dit dossier handelt over de teelt van grootfruit, nl. appel, peer, pruim, kers (zoet) en kriek (zuur), perzik, abrikoos, walnoot, kweepeer, mispel. Grootfruit groeit aan bomen, dat zijn planten met een stam. Daartegenover staat kleinfruit, dat aan struiken of klimplanten groeit (trosbes, stekelbes, framboos, braambes, druif, kiwi, hazelaar, veenbes). De stam van fruitbomen kan verschillen van lengte: we onderscheiden laagstam (50 cm), halfstam (130 cm) en hoogstam (200 cm). Leibomen zijn laagstammen die in een bepaalde vorm gekweekt worden, waarbij alle takken in 1 vlak geleid zijn, zodat deze bomen niet veel plaats vragen en bijv. tegen een muur kunnen geplant worden.

De eenvoudigste manier om bomen te kweken is een zaadje in de grond stoppen en het kiemplantje laten opgroeien tot volwaardige boom. Die manier van kweken noemen we de geslachtelijke of generatieve vermenigvuldiging, en de planten die eruit voortkomen zijn zaailingen. Als je dat bijv. doet met de pitten (=zaden) van een Cox’s appel, dan krijg je wel een appelboom, maar die zal vruchten geven die niet zo mooi en lekker zijn als de oorspronkelijke Cox’s appel waarvan je de pitten genomen hebt. Om planten met precies dezelfde eigenschappen te kweken, moet je ongeslachtelijke of vegetatieve vermenigvuldiging toepassen.

Dat kan op 4 manieren:

  • Stekken: Een plantendeel (meestal een scheut of twijg, soms een wortel) wordt van  de moederplant afgesneden, in de grond gestopt en de ontbrekende plantendelen groeien weer aan. Dat kan bijv. bij wilg, populier, maar ook bij trosbes, druif.
  • Afleggen of markotteren: Een twijg of tak wordt, terwijl ze nog vastzit aan de moederplant, naar de grond geleid en bedekt met aarde. Zo vormt die twijg wortels en daarna wordt ze afgesneden en heb je een nieuwe plant. Dat is de meest gebruikte vermeerderingsmethode van stekelbes en hazelaar, maar ook van sommige fruitboomonderstammen.
  • Enten of oculeren: We nemen van de moederplant een stuk twijg (bij enten) of één enkele knop (bij oculeren) en planten die met een speciale techniek over op een andere plant die we onderstam noemen. Op die manier worden bijna alle fruitbomen vermeerderd. Tussen ent en onderstam moet een zekere verwantschap bestaan, anders lukt de enting niet. Zo kan je geen appels op notelaars enten.
  • In-vitro cultuur: Dit is de nieuwste methode. In laboratoria worden planten gekweekt in proefbuizen. Men neemt enkele cellen van een moederplant en brengt die op een kunstmatige voedingsbodem. Door toevoeging van voedingsstoffen en groeihormonen bekomt men uit die enkele cellen een volledig nieuwe plant.

 

Even wat meer uitleg over dat enten nu. Een geënte plant bestaat altijd uit minstens 2 delen: onderaan heb je de onderstam, die de wortels en het onderste stuk stam van de plant uitmaakt. Daarboven staat de ent: het bovenste deel van de stam, de takken, de bladeren, bloesems en vruchten. Vermits het hier gaat om een vegetatieve vermenigvuldigingsmethode, heeft de nieuwe plant dus dezelfde eigenschappen als de moederplant. Als de moederplant gevoelig is voor bepaalde ziekten, zal de nieuwe plant even gevoelig zijn voor diezelfde ziekten. Als de moederplant kleine, rode vruchten heeft, zal de nieuwe plant precies dezelfde kleine, rode vruchten produceren. De onderstam waarop geënt wordt, heeft ook wel een invloed.

Hij bepaalt vooral de groeikracht van de nieuwe boom. Als de onderstam een zaailing is, dan krijgen we een sterke groeikracht. Zaailingen worden gebruikt als onderstammen voor half- en hoogstambomen. De onderstam kan ook een stek, aflegger of in-vitroplant zijn. Dan hangt de groeikracht dus af van de gebruikte moederplant. Zo hebben we bij de appelaars een hele reeks onderstamtypen die met letters en cijfers benoemd worden en alle een verschillende groeikracht hebben: M 9, M 26, MM 106, MM 111,… Bij boomkwekerij De Linde gebruiken we voor de laagstamappelaars de M 26 (zwakke groei) en de MM 106 (matige groei). Voor laagstamperen en –kweeperen gebruiken we de kwee A (zwakke groei).

Bij pruimen, perziken, abrikozen en amandels is Saint Julien A de zwakste onderstam voor laagstammen. Kers en kriek laagstammen worden ofwel op zaailing geënt, wat dus een sterkgroeiende boom oplevert, ofwel op Gisela 5. Dat is een nieuwe, zwakgroeiende onderstam, verkregen door in-vitro cultuur. Mispels worden geënt op de inheemse meidoorn. Walnotenbomen kunnen rechtstreeks uit zaad gekweekt worden (niet geënt dus), waaruit je zaailing notelaars bekomt met onvoorspelbare eigenschappen. Er zijn nu ook bepaalde rassen geselecteerd uit de walnoten, die veel vruchtbaarder zijn. Die worden geënt op zaailingen. Zwakgroeiende walnoot onderstammen zijn er niet, dus bestaan er ook geen laagstam walnoten.

Soms bestaat een fruitboom zelfs uit 3 delen. Naast onderstam en ent is er dan een tussenstam. Die is noodzakelijk als er onvoldoende verwantschap is tussen de onderstam en de ent (bijv. bij laagstam peer of kwee A). Met een tussenstam kan je ook een betere ziekteresistentie geven aan bepaalde bomen. Zo wordt het ras Keuleman gebruikt als tussenstam bij half- en hoogstam appelaars om een betere weerstand tegen kanker aan de boom te geven. Bij half- en hoogstam kers enten we het type F 12/1 als tussenstam: die groeit mooi recht en is resistent tegen bacteriekanker. Aangezien wij zowel half- als hoogstambomen op de sterkgroeiende zaailingen kweken, is de groeikracht en bijgevolg ook het kroonvolume van beide boomtypes dezelfde. Plant ze dus even ver uit elkaar.

 

Standplaats


Licht en warmte

Fruitbomen houden van de zon. Veel zonlicht betekent veel, zoet en dik fruit. Ook de zonnewarmte heeft een grote invloed. Vooral perzik en abrikoos moeten op een warme en tegen de wind beschutte plaats staan. Pruim, kers, perzik en abrikoos plant je best niet op de laagst gelegen plaats van een perceel: daar is het altijd kouder dan boven op de helling (koude lucht zakt) en vermits die bomen vroeg bloeien, zouden ze daar eerder nachtvorstschade ondervinden.


Eisen aan de grond

De beste grondsoort voor fruitbomen is leem. Zandleem, humushoudende zandgrond of klei zijn ook goed. De grond moet goed doorwortelbaar zijn. Een hoogstammige fruitboom moet minstens ongehinderd 1 m diep kunnen wortelen. Harde lagen (vb. ploegzool) in de bodem moeten dus doorbroken worden door grondbewerking (vb diepgronden tot 70-80 cm diep met een vaste-tand-cultivator).

De grond moet goed vochthoudend zijn. Daarom is het nodig om aan lichte gronden (zand) veel humus toe te voegen. Zeer belangrijk is dat de grond goed waterdoorlatend is. Zo kan het grondwater in droge periodes door capillaire kracht opstijgen en in natte seizoenen kan het overtollige neerslagwater zakken. Als fruitbomen lange tijd ‘met hun voeten in het water staan’, dan gaan ze daar sterk onder lijden, worden ziek en kunnen zelfs afsterven. Natte gronden kunnen enigszins geschikt gemaakt worden voor de fruitteelt door te draineren of afwateringsgreppels te graven tussen de bomenrijen en met de zo verkregen grond verhoogde bedden te maken om de bomen op te planten. Beter is echter op dergelijke gronden geen fruitbomen te planten. Staand water kan ook veroorzaakt worden door ondoordringbare lagen in de bodem (zie hoger). Kleigronden hebben vaak last van wateroverlast. Dat is te verhelpen door organisch materiaal (goed verteerde stalmest, kompost) toe te voegen.

Kersen stellen de hoogste eisen aan de grond: goed vochthoudend, goed ontwaterd, veel kalk in de bodem. Op minder goede gronden (arm, veel stenen, ondiep) kunnen nog pruimen geplant worden met goed resultaat. Peren houden niet van kalk. Als men op de plaats waar een oude fruitboom gestaan heeft, een nieuwe zet, groeit die vaak slecht: bodemmoeiheid. Dat is op te vangen door na pitvruchten (appel, peer) steeds steenvruchten (pruim, kers, perzik) te zetten en omgekeerd.


Grondbewerking

Bovenstaande maatregelen om de ondergrond goed doorlatend te maken (draineren, diepgronden, humus toevoegen) worden best een paar maanden voor het planten uitgevoerd. Dat geeft aan de grond de mogelijkheid om weer wat te bezakken, zijn goede structuur terug te vinden.

Als u hoog- of halfstamfruitbomen plant in een weide met goede structuur, dan is geen voorafgaande grondbewerking nodig. Het gras mag er blijven onder groeien, hou alleen gedurende de eerste twee jaar een cirkel van ongeveer 70 cm diameter rond de stam, vrij van gras en onkruid.

Plant u laagstamfruitbomen in uw tuin, op onbeteeld land, zorg dan dat vooraf alle wortelonkruiden verwijderd zijn (paardebloem, zuring, kweekgras, paardestaart, akkerwinde,…), zoniet zal u daar blijvend last van ondervinden.

Laagstammen hebben, wegens de zwakkere groei, liefst geen sterk concurrerende onderbegroeiing. Om de grond onkruidvrij te houden, kan u boomschors of gehakseld hout aanbrengen. Een andere mogelijkheid is het inzaaien van witte klaver. Een gazon dat regelmatig gemaaid wordt, is ook goed. De laaghangende takken kunnen het maaien wel bemoeilijken. Hou in dat geval toch een cirkel van ongeveer 70 cm diameter vrij rond de boom. Gras onder laagstamfruitbomen verhoogt wel het gevaar op schade aan de bloesems door lentenachtvorst.


Bemesting

Een fruitboom heeft voedingsstoffen nodig om te groeien en vruchten te leveren. De bladeren halen koolzuur uit de lucht en zetten dat via de bladgroenwerking om in suikers. Daarover hoeven we ons weinig zorgen te maken. Maar ook uit de grond worden voedingsstoffen gehaald en die moeten we regelmatig aanvullen door bemesting.

De 5 hoofdelementen zijn:

  • Stikstof (N) voor de groei van takken, bladeren, vruchten
  • Fosfor (P) voor de wortelvorming, de bloemkwaliteit en de vruchtzetting
  • Kalium of potas (K) voor de stevigheid van de plant
  • Kalk (Ca) ook voor de stevigheid, maar vooral voor de vruchtkwaliteit. Daarnaast is kalk heel belangrijk voor de bodemstructuur en de zuurtegraad (pH) van de bodem, en bepaalt het de opname van andere voedingsstoffen.
  • Magnesium (Mg) voor de bladgroenwerking.
     

Daarnaast zijn nog tal van andere stoffen nodig in de plant, maar slechts in heel kleine hoeveelheden. We noemen ze daarom sporenelemente (boor, zink, koper, zwavel, mangaan,…)

Om een goede bemesting uit te voeren, is het noodzakelijk dat u eerst weet wat er al in uw grond zit. Vandaar dat het zeer aan te raden is een grondstaal te laten onderzoeken. Dat kan bij de Bodemkundige dienst van België v.z.w (e-mail: info@bdb.be )

Over heel het land heeft deze dienst erkende staalnemers die op deskundige manier een grondstaal bij u komen nemen. U krijgt dan de uitslag toegestuurd met een bemestingsadvies voor de teelt die u aanvraagt erbij.

Als u milieuvriendelijk wilt kweken, geeft u best organische bemesting aan uw planten. Dat kan zijn: stalmest of compost, die bevatten zowel de hoofdelementen als de sporenelementen en brengen ook veel humus in de grond. Als er van 1 of meer voedingselementen veel te kort is in de bodem, kan u gebruik maken van de organische meststoffen die in de handel verkrijgbaar zijn, of van natuurprodukten zoals kalk, basaltmeel, lavameel, vinasse.

Compost, stalmest en kalk dient u best toe in november- december. Kalk en stalmest nooit samen toedienen, want kalk doet de ammoniak uit de stalmest vervluchtigen (-verlies van voedingsstoffen en milieuvervuiling). Andere organische meststoffen worden in maart toegediend.

Ook bij bemesting geldt het gezegde ‘overdaad schaadt’. Vooral een overmaat aan stikstof heeft nadelige gevolgen: te sterke scheutgroei, waardoor de vruchtbaarheid vermindert en de boom gevoeliger wordt voor ziekten en plagen. Overschrijd zeker niet de hoeveelheden die aangegeven worden in uw bemestingsadvies. Geef liever te weinig dan te veel. Voor die enkele kilo’s minder fruit, zal u beloond worden met een gezond groeiende boom die regelmatig draagt.  

Tekst: Bart Dequid