Wil ook jij specifieke informatie ontvangen over jouw tuin?

Heb je reeds een MijnTuin.org account? Aanmelden

Tuin vol vlinders: mijn gedroomde toevlucht!

Het verhaal over het ontstaan en de ontwikkeling van een vlindertuin

Inleiding: wat vooraf ging. 

Er was eens… een kleine dreumes.  

En reeds als kleine drommel werd mijn interesse gewekt voor (dag)vlinders.  In de grote en gevarieerde tuin van mijn opa zaliger aan de stadsrand van Sint-Niklaas wemelde het toen nog van grote en kleine vlinders (medio 1960-1970).  Naast een grote moestuin waren er 2 boomgaarden met welriekende hooioppers, sparrenbosje, vele kleurrijke bloemenborders en vooral ook hagen en struiken die onder zeer grote en minder grote diverse soorten (loof)bomen stonden.  Alles stond met elkaar in verbinding door vele grote en kleinere wegels.  De hele tuin was omheind met meidoorn waarvan de bloemetjes zeemzoet geurden.  Toen besefte ik het nog niet, maar het was een schatkamer voor de vrolijk “fladderende juweeltjes” zoals ik ze graag noem.  Een ander troetelnaampje is “schoonheidsprinsesjes”.  

Het was de DDT-periode: onwetend werd er toen nog kwistig mee gesproeid.  Niemand kende toen de schadelijke effecten die zelfs nu nog altijd terug te vinden zijn bij pinguïns aan de Noordpool! Gewapend met schepnet en glazen bokaal ging ik vaak op vlinderjacht.  Ook sneuvelden natuurlijk af en toe bloemen tussen deksel en pot, maar dat trachtte ik dan ietwat vakkundig te verdoezelen… Ik liet ze telkens weer vrij na ze bewonderd te hebben in de lege confituurpot.  Misschien heb ik wel 20 keer dezelfde gevangen? Uren vlogen voorbij.  Ik zou er later gaan wonen want de natuur trok me aan.  Helaas was dit maar een kinderdroom.  Ik herinner me ook nog de momenten van ontgoocheling omdat ik nooit een “nest vlinders” gevonden heb zoals bijen en wespen toch samenwonen… Ondertussen weet ik wel beter… 

De jaren verstreken en ik bleef dromen van een eigen grote tuin.  Geestelijk ontspannen door  willekeurige tuinklusjes uit te voeren gaat perfect samen met observeren en genieten.  Zo heb je de natuur aan je eigen achterdeur.  Medio 1984 kregen we de kans om ons te vestigen aan de rand van de eens zo vermaarde Waasmunsterse heide.  Ook hiervan herinner ik me uit een ver verleden als kleine gast de purpere heidevelden met afwisselend grasvlakten in de omgeving van ons ouderlijk buitenverblijf.  Met ons fietsje door de slingerende en zanderige boswegels.  Een relatief vaag beeld dat me bijblijft zijn de vele kleine kleurrijke en dartelende vlindertjes.  Ik vermoed dat het vooral kleine vuurvlindertjes moeten geweest zijn net als icarusblauwtjes en dikkopjes.  Vlindernamen kende ik toen immers nog niet…  De typische sparrengeur die je opsnuift op warme dagen weekt deze herinneringen steeds terug los.  Maar quasi alles is (voorgoed) verdwenen: het zijn nu storende asfaltwegen tussen de vele verkavelingen.  Villa’s, doorgaans met strakke gazons zonder natuurwaarde, in combinatie met spontane bebossing. 

Verhuis naar woonst midden in een groot verwaarloosd sparrenbos. 

Onze nieuwe stek (2.250 m2) werd een open bebouwing waarvan het huis omringd was door een donker, verwaarloosd en te dicht aangeplant sparrenbos (medio 1985).  In de aanvangsfase zijn alle (circa 100) sparren gerooid: de meeste waren ziek en aangetast door letterzetters.  Dit zijn kevers die de sapstroom aantasten en vormden alzo een reëel gevaar voor onze woonst, buren en verkeer.  In het beste geval waren de toppen nog wat groen.  De te dichte aanplanting was ooit bedoeld als stuthout in de koolmijnen, maar door veranderende technieken werd hout overbodig.  Ook de uitvoer van kerstbomen naar Groot-Brittannië viel destijds stil na wereldoorlog II (waren te groot geworden).  Gevolg: de oorspronkelijke nijveraar liet de bossen verwilderen.  De zilverberken, Amerikaanse eik en tamme kastanje aan de buitenzijde van de tuin zijn behouden gebleven.  Hiertussen hebben we dennen aangeplant alsook haagbeuk met het doel hagen in diverse hoogten te creëren in combinatie met zuilvormige.  

Slechts 1 purpere vlinderstruik heb ik toen geplant (graag wat kalk in het voorjaar – uitgebloemde bloemen wegknippen bevordert doorbloei).  Mijn verwondering was groot toen eind juni bij het ontluiken van de eerste welriekende bloemen er plots ook vlinders verschenen.  Tot ervoor had ik in deze (donkere) bosrijke omgeving nog geen vlinders waargenomen. Op echt zonnige dagen zaten er soms wel 8 verschillende soorten nectar te lurken; een juist aantal (20? 30?) tellen was onmogelijk door al dat rondvliegend gewemel.  Deze plotse heuglijke ommekeer intrigeerde mij zo dat het me niet meer losliet.  De smeulende “vlindervlam” van weleer wakkerde terug aan en was het begin van onze eigen open vlindertuin.  

Heb je trouwens een vlinder al eens van dichtbij bekeken door een vergrootglas? Het zijn adembenemende insekten met een fascinerend kleurenpallet van kleine schubben die dakpansgewijs over elkaar liggen.  De pigmenten zorgen voor de kleur die soms een weerschijn kan geven.  Na enig opzoekwerk een verbazingwekkende ontdekking: vlinders kunnen zelfs vanop enkele km’s afstand een goede nectarbron waarnemen! Dagvlinders nemen dit waar via het knotsje bovenaan op hun voelsprieten.  Een ingenieus systeem in tegenstelling tot de menselijke neus… 

Ik plantte vlug her en der nog wat vlinderstruiken bij.  Maar ik wou stilaan meer en meer: ik ging op zoek naar andere bloemen en planten als lokmiddel.  En dit liefst het hele jaar door.  Internet was er toen nog niet.  Dus bibliotheek raadplegen, maar een boek met louter de inrichting van een vlindertuin vond ik niet.  Hier en daar wel losse sprokkels.  Bij open tuindagen reed ik van tuin naar tuin en vroeg aan de bewoners of ze planten hadden die vlinders lokten of waarop rupsen zaten.  Ik wou zowel nectar- als waardplanten.  

Nectarplanten, zijn zoals het woord laat uitschijnen, planten die nectar produceren voor vlinders, bijen, zweefvliegen,… Wist je dat er diverse soorten nectar zijn? En dat niet alle vlinders dezelfde nectar lusten? 

Waardplanten zijn specifieke planten waarop eitjes afgezet worden en elke vlindersoort heeft (net als bij nectarplanten) doorgaans z’n typische voorkeur! Slechts een beperkt aantal planten wordt gezamenlijk “gebruikt”.  De rupsen (die uit de vlindereitjes komen) vreten van de blaadjes om te groeien en diverse keren te vervellen; ze verplaatsen zich doorgaans niet ver.  Als ze nadien verpoppen blijven ze ook in de buurt zodat de vlinders in eigen tuin geboren worden.  

Kijk naar de vlindersoorten die je in je eigen streek kunt verwachten in combinatie met de grondsoort en richt je plantenkeuze hierop.  Enkel dan is succes gegarandeerd.  In België heb ik geen enkele typische vlindertuin gevonden.  Ik schuimde tuincentra af alsook de kruidentuin te Bokrijk en bezocht erna Nederlandse tuinen.  Op natuurvlak lopen onze noorderburen steeds ver voorop.  De Nederlandse Vlinderstichting heeft me toen ook deels op weg kunnen zetten.  Een ware pionierstocht. 

Eindelijk: inrichting van een klein hoekje als vlindertuintje. 

Zo heb ik een deeltje van de tuin (circa 150 m2) ingericht met hoofdzakelijk kruidachtigen (hyssop, lavendel, borstelkrans, munt, tijm, marjolein, citroenmelisse,…).  Natuurlijk ook vlinderstruiken (diverse kleuren), damastbloem, koninginnekruid, solidago, hemelsleutel, bolklimop, gele zonnehoedjes, zenegroen, erica en calluna, bruidsbloem,… Plant niet te dicht bij aanvang of na 2 à 3 jaar moet je al de helft uitdunnen en weggooien… Een veel gemaakte fout; mensen hebben geen geduld meer.  

Het vrijgekomen tuinafval is op een composthoop gestapeld (onderaan eerst met dikke takken een egelhuisje gebouwd als slaap- en overwinteringsplaats).  Ondertussen is er al een 2de grotere hoop gekomen en op een 3de wordt ietwat grover tuinafval oordeelkundig gestapeld.  Er zijn ondertussen goed verscholen nog een 3-tal stenen egelhuisjes bijgebouwd.  In onze tuin wordt alles gerecycleerd (zelfs alle keukenresten: naar de legkip).  De composthopen liggen verscholen tussen hagen en struiken.  Zo’n hopen zijn belangrijk voor de overwintering van vlinders, rupsen en vlinderpoppen.  Uiteraard profiteren ook allerlei andere (kleine) insekten hiervan (oorwormen, duizendpoten, pissebedden, mieren, kevers allerhande,…) alsook ambifieën (bruine en groene kikkers en gewone pad) en muizen.  De meeste bewoners zijn “opruimers van de natuur” die ik graag mijn gratis medewerkers noem.  Bovendien werkt dat volkje altijd (overdag en/of ’s nachts) en mort het nooit.  In de natuur hangt immers alles samen en het ene leeft nu eenmaal van het andere.  Ik vertik verdelgingsmiddelen of aanverwanten te gebruiken.  Pesticiden? Daar heb ik de pest aan.  Het is één van de belangrijkste oorzaken van de achteruitgang.  Voor alle kwalen is er immers een natuurlijke vijand.  Bv. O.-L.-Vrouwbeestjes voor bladluizen op kamperfoelies.  Of hang omgekeerde bloempotjes gevuld met hooi zodat oorwormen overdag een slaapplaats hebben; ’s nachts werken ze dan voor mij… Je verhangt de potjes doodgewoon als er ergens anders een nieuwe invasie van bladluizen is.  In onze tuin hebben we weinig of geen last van plagen en ziekten. 

Het snoeisel van de diverse hagen blijft waar het kan onopvallend ter plaatse liggen.  Het ietwat fijnere gedeelte komt op de composthoop terecht en de wat grovere takken op een andere (verscholen) stapel.  Egels kruipen hier graag onder. 

Zorg voor de natuur en je krijgt oh zoveel terug: een zuivere win-win situatie! Vlinders zijn belangrijk voor de bestuiving van bloemen en planten.  Ook is een compostbak aangelegd met betonnen platen in U-vorm deels gevuld met zand en bladgrond.  Rijk aan regenwormen die ook onmisbaar zijn in een gezonde tuin.  Bovenop begroeid met grote brandnetels.  Wist je dat deze zo verguisde plant één van de belangrijkste waardplanten is? Landkaartje, distelvlinder, atalanta, dagpauwoog, gehakkelde aurelia, kleine vos,… weten dit enorm te appreciëren.  Rupsen voelen zich immers veilig tussen de prikkende netelbuisjes.  Bij aanraking spuiten ze een soort mierenzuur zodat natuurlijke vijanden niet naderbij durven komen! Sommige soorten nachtvlinders leven in een opgerold blad en laten zich bij de minste aanraking gewoon op de grond vallen.  Het brandnetelmotje (nachtvlindertje) verschuilt zich steeds aan de onderkant van de bladeren. Samentroepende zwartachtige rupsen van de kleine vos (in een soort spinselnest) mag ik al jaren niet meer aanschouwen.  Waar zijn ze toch gebleven? 

Afhankelijk van soort tot soort overwinteren ze als ei, rups, pop of vlinder. Waar? In een composthoop, gras, houtstapel of tuinhuis en zolder.  Of in de ongemoeide strooisellaag.  Het mag er een beetje (gecontroleerd) rommelig uitzien.  Een grondige reden en oproep om niet (teveel) te harken!  De opruimwoede is immers dodelijk.  Gebruik gemalen boomschors: onkruid blijft weg (= arbeidsarm), voorkomt uitdroging van de bodem en trekt bodemleven aan.   

Bewust heb ik voor witte stapstenen en een wit keienbed gekozen.  Net als de witte hortentia’s Annabelle die met hun dikke bloembollen als een waterval over de taxushaag hangen. Wist je dat lichte kleuren vlinders aantrekken? Ze komen er zonnen in het gunstig microklimaat: vleugels als zonnepaneel naar de zon gekeerd.  En naar zo’n warme plaatsjes keren ze geregeld terug.  Vooral ’s morgens: als de zon nog onvoldoende warmte geeft, kunnen ze nog niet écht actief zijn.  Het zijn immers koudbloedige insecten die opwarmen met de buitentemperatuur.  Door de weerkaatsing van de warmte op de witte ondergrond, zijn ze vlugger opgewarmd en kunnen dan pas echt goed actief vliegen.  De vleugeltjes zijn opgebouwd uit holle buisjes die met warme lucht gevuld worden (cfr. principe warme luchtballon).  Hun lichaamstemperatuur moet minstens circa 20° C zijn.  De familie van de witjes hebben een eigen ingenieus zonnesysteem (wit weerkaatst immers zeer goed de warmte): ze kiezen een zonnig plaatsje en keren zich naar de zon.  Vervolgens vormen ze als het ware een trechter door hun vleugels te openen in een hoek van circa 45°.  De weerkaatste warmte glijdt alzo als het ware af naar het borststuk waar hun vliegspieren zitten.  En binnen de kortste keren kunnen ze goed opgewarmd weer snel op pad… 

Heb je soms al gezien dat een vlinder heftig zit te trillen met z’n vleugels? Als je hem toevallig verrast op een koude, bewolkte dag kan hij meestal niet zomaar direct wegvliegen.  Snel en krachtig trillen met de vleugels doet ze ietwat opwarmen om pas erna vliegklaar te zijn.  Bij nachtvlinders is dit typisch (nachten zijn immers koeler dan overdag) ook al zijn ze door hun dichtere lichaamsbeharing beter geïsoleerd.  

Handig meegenomen is dat ons (gekocht) huis gebouwd is met witte faiëncestenen.  Dagpauwogen en atalanta’s en in mindere mate kleine vos (quasi “uitgestorven”) zie ik geregeld ’s morgens op de muren zonnen.  Via de Vlindertuin in Knokke had ik een vlindertafel laten maken: proefbuisjes hangend aan een plexi plaat gevuld met een lokvloeistof: honingwater of amylacetaat.  Dagpauwogen en atalanta’s kunnen dit smaken.  Helaas is de tafel gesneuveld na een mislukt voetbalschot van onze spelende kinderen op het gazon.  Ook een omgekeerd dekseltje van een confituurpot kan soelaas brengen: leg er een sponsje in doordrenkt met honingwater.  Een stuk (rottend) fruit (appel, peer, banaan,…) kan atalanta’s ook bekoren.  Dat is de reden waarom je vooral deze vlindersoort in boomgaarden aantreft.  Leg in het najaar, als het nectaraanbod verschraalt, eens een snede brood in de zon.  Ook dit lusten atalanta’s.  Zuigen ze er zetmeel uit? In ieder geval boeiend om te observeren en te zien hoe de haardunne roltong tastend van gaatje naar gaatje gaat.  

Wat ik ondertussen jammer genoeg al meer dan 10 jaar niet meer zie zijn dansende langsprietmotjes rond de hortentia’s.  Deze dagactieve nachtvlindertjes hebben hun naam niet gestolen: ze hebben zeer lange voelsprietjes.  Ze komen vooral voor in loofbossen en voeden zich blijkbaar met bladafval.  Ik zag de mannetjes in de zon op en neer gaan in een langzaam dansende vlucht zoals muggen.  Waar zijn ze toch gebleven? 

Als bodembedekker werd rondom de buitenkant van de tuin klimop aangeplant tussen de spontaan ontwikkelde hondsdraf.  Handig: onkruid krijgt geen kans meer en er wordt nooit geschoffeld.  En bovendien een waardevolle waardplant voor diverse soorten (dag)vlinders.  Vooral als de plant langs bomen of muur naar omhoog kan slingeren (verhogen biodiversiteit).  De meeste bomen zijn inmiddels langs de stam (en soms ook wat op de takken) hiermee begroeid.  Geen nood als ze iets te hoog groeien: knip voorzichtig rondom de stam de groeischeuten door (bv. op 6 m. boven de grond) en laat het bovenste deel best vanzelf verdorren.  Trek het er niet af of de schors kan beschadigd worden.  Het is een ideale schuilplaats bij winderige en/of regenachtige dagen en tevens een overwinteringsplaats voor bv. citroenvlinders of kleine vossen.  Ze gaan dan in diapauze: hun levensfuncties vallen quasi volledig stil (energiebesparend) en de vlinder wordt star.  Hun lichaamsvocht verandert in een vorstvrij mengsel van eiwit, zout en water.  In de volgende lente komen ze stilaan terug tot leven bij de stijgende temperaturen.  Zo heb ik bij het snoeien van sneeuwbes eens toevallig een citroenvlinder in z’n diapauze verrast op een koude maar zonnige winterdag.  Vlug heb ik hem tussen klimop teruggezet want door de zonnestralen in combinatie met de warmte van mijn hand begon er stilaan terug wat leven in te komen.  Maar hij moest nog verder slapen! Net als een dagpauwoog in de houtmijt.  Ook als het té heet is, is afkoeling hiertussen welgekomen.  Boven de 35° C komen ze in levensgevaar: ze kunnen uitdrogen.  

Rhododendrons, ook ideaal als schaduwplant onder de grotere bomen, lokt veel gammauiltjes (nachtvlinder).  Vooral in de schemering alhoewel ze ook wel overdag durven vliegen.  Soms met 10-tallen tegelijk.  Ze lusten ook de nectar van stephanandra incisa crispa die als bodembedekker goed werk levert.  

Her en der heb ik look-zonder-look en judaspenning uitgeplant: de belangrijkste waard- en tevens nectarplanten voor oranjetipjes (de mannetjes hebben opvallend oranje vleugelpunten).  Deze soort heeft maar 1 vliegperiode en 1 generatie per jaar: maand april (afhankelijk van de temperatuur).  Bovendien leeft het vrouwtje maar enkele dagen.  Het is een indicator van zoomvegetaties met kruisbloemige planten.  Wijfjes zijn buitengewoon kieskeurig: liefst hebben ze grote solitaire planten (veel bloemhoofdjes = veel voedsel) in de zon maar in de omgeving van bomen en struiken (verpoppen rupsen als gordelpop).  Onze tuin voldoet ruimschoots aan al deze selectieve voorwaarden zodat het boeiend transformatieproces van ei tot vlinder hier volledig kan plaatsvinden.  Het wijfje, met haar gemarmerde groene onderkant van de achtervleugels, zet er maar enkele losse eitjes op af.  Instinctiefmatig beseffen ze dat teveel rupsen de hongerdood zouden sterven en dat komt de toekomstige generaties niet ten goede.  Ze vertonen immers kannibalistisch gedrag bij onvoldoende voedsel (vandaar keuze voor grootste planten).  Andere zoekende wijfjes negeren dan de plant vermits ze zeer fijntjes eitjes van voorgangsters kunnen detecteren (afstotende feromonen).  Bij judaspenning vreten de rupsen het liefst aan de rondvormige onrijpe hauwtjes of zaaddozen die ze stelselmatig kleiner en kleiner maken.  Zo was mijn verbazing groot toen ik jaren geleden voor het eerst 4 plantjes look-zonder-look gezet had: op alle 4 prijs! Sindsdien hebben we verspreid over de hele tuin elk jaar rupsen. 

Nu we het toch over vreten hebben: met groot genoegen kijk ik naar de rupsen van koolwitjes die de bladeren van zeekool volledig kaalvreten.  Eens weg uit de flesvormige eitjes worden de rupsjes echte vraatmachines.  Vreten en vervellen.  Enkel de hoofdnerven blijven soms nog over… Maar het jaar nadien is de plant telkens weer paraat.  Het is een buitengewoon staaltje van natuurlijk evenwicht zonder menselijke inmenging. 

Ook maagdenpalm is een dankbare bodembedekker die evenwel niet overvloeit van nectar, maar waar koolwitjes en citroenvlinders af en toe toch even halt houden.  Ertussen kunnen krokussen geplant worden wat de eerste nectar van het seizoen oplevert.  Bolklimop daarentegen is in de herfst het galgenmaal of laatste avondmaal.  Hierna sterven de meeste soorten.  Deze struiken kunnen écht gonzen van zwermen zweefvliegen vermengd met atalanta’s, gehakkelde aurelia’s en dagpauwogen. 

Finaal: hele tuin inrichten als open vlindertuin  – gedroomd Mekka voor vlinders. 

Maar ik wou meer.  Na het volgen van de cursus natuurgids was het besef van “natuur aan je eigen achterdeur” nog aangescherpt. Aangezien ik weinig vrije tijd overhield wou ik op mijn manier de natuur toch een handje helpen.  En bij de verbouwing van ons huis (medio 1995) hebben we ook de tuin rondom het huis aangepakt samen met de oprit.   Ik broedde weken op een eigen tuinontwerp met allerlei schetsen en een resem heesters, vaste planten, bodembedekkers, klimplanten, knolgewassen en hagen i.f.v. vlinders.  De gazon rondom het huis verdween quasi volledig op circa 500 m2 na.  

Een tuinarchitekt heeft m’n plan grotendeels behouden en her en der aangevuld met waard- en nectarplanten.  Naar schatting staan er momenteel circa 200 verschillende soorten planten, bomen, struiken.  Tevens diende hij ook na te zien of alle planten wel degelijk geschikt zijn voor onze zandige bosgrond.  Ik wou de fout niet meer maken van het eerste vlindertuintje.  Dit is grotendeels terug verdwenen omdat verschillende planten er niet echt wilden groeien en bloeien.  Dus pas je aan de grondsoort aan en probeer de natuur niet naar je hand te zetten.  Werk samen met de natuur en het bespaart je een hoop disillusies.  Immers bloemen die treuren of in de schaduw staan produceren weinig of geen nectar meer en worden ongeschikt.  De zon is een katalysator voor nectarproductie en doet geurstoffen ontluiken als lokmiddel.  Dat is meteen de reden waarom vlinders steeds mee opschuiven met de draaiende zon.  Bloemen in de schaduw zijn niet meer aantrekkelijk.  Zelfs vlinderstruiken, topper van de nectarplanten, moeten dan het onderspit delven.  

Bovendien moest alles zo arbeidsarm mogelijk zijn gezien mijn chronische ruglast.  Geregeld rust ik, maar dan wel in de ligzetel onder de vlinderstruiken.  Als ik niet weggedommeld ben, kan ik mijn fladderende vrienden al liggend observeren.  Dat is pas genieten.  Maar toch ook altijd min of meer op de loer in de hoop een nieuwe vlindersoort te spotten. 

Voor het bijgebouw hebben we witte betonstenen gekozen (bestaande woning was toch al wit/lichtjes grijs) en een zeer licht tuinpad.  Dit weloverwogen voor de opwarming van de vlinders in de ochtendzon.  En het werkt! 

Ook een vijver werd voorzien met de nodige waterplanten zodat de amfibieën hun volledige levenscyclus in de tuin zouden kunnen doorbrengen.  Een volledig natuurlijke waterzuivering o.b.v. de juiste zuurstofplanten.  Bewust zonder vissen anders leggen amfibieën instinctiefmatig geen eieren (vissen eten alles op).  Er liggen voldoende grote licht gekleurde keien rond: naast opwarmingsplaats voor de dagvlinders tevens schuilplaats voor de amfibieën vlak bij het water.  De vijver is nu spontaan bevolkt met bruine kikkers, gewone padden en 2 soorten salamanders.  Plots zijn er ook libellen en waterjuffers gekomen.  Je staat versteld wat je automatisch nog allemaal aantrekt in en rond de vijver.  Sinds 2 jaar is ook de groene kikker in onze tuin gekomen en aan z’n typisch en opvallend gekwaak kan ik ze lokaliseren.  Ook hij blijft, want het is hier naar zijn zin. 

Kikkers en padden zijn niet alleen wettelijk beschermd, maar tevens zeer nuttige insektenverdelgers.  Overdag springt er geregeld een kikker weg als ik hem plots onwetend stoor en ’s avonds doen de padden hun ronde.  Ze kruipen geregeld op het pad rond het huis op zoek naar mieren, slakjes,… Liefst dicht bij de tuinverlichting, want op de grond vallende dolgedraaide muggen of nachtvlinders kan hij zomaar met zijn plakkerige tong zonder enige moeite naar binnen werken.  

De grootste brokken bouwafval zijn behouden voor enerzijds een vierkant gegraven put vakkundig te vullen en anderzijds een “paddenpaleis” te stapelen.  Onze 2 zonen hebben dit toen op mijn aangeven gebouwd.  Dit is een langgerekt oordeelkundig gestapelde hoop stenen met zeer vele gangetjes en openingen en zelfs enkele verdiepingen (met overschotjes isomo erbij).  Een ideale schuil- en overwinteringsplaats voor amfibieën.  Op andere plaatsen zijn, met iets grotere openingen, plaatsen gecreëerd voor egels.  2 jaar geleden is bij het herinrichten van de living het bouwafval van de schouw opnieuw aangewend voor een 2de “paddenpaleis”.  De hopen liggen verscholen tussen krenteboompjes en hagen en inmiddels volledig overgroeid met klimop.  Dus aan het oog onttrokken maar zeer nuttig. En het werkt! Tussen de stenen heb ik de gewone pad al gezien en kikkers merk ik vaak in deze nabije omgeving.  Zo trekken geregeld egels naar de kippenren om keukenresten te gaan oppeuzelen.  Via een 2-tal uitsparingen onderaan de afsluiting kunnen ze vlot in en uit.  

Enkele pergola’s met diverse soorten kamperfoelies werden eveneens voorzien.  De geurstoffen van deze zeer welriekende klimplanten worden pas vanaf de avond afgegeven en lokken dus hoofdzakelijk nachtvlinders.  Ze zijn bijzonder nuttig voor de familie van de pijlstaarten.  Hun rupsen hebben een kenmerkend pijltje op hun achterlijf.  Met hun lange roltong kunnen ze al zwevend diep in de kelk van de bloemen de nectar bereiken wat de meeste dagvlinders niet lukt.  Wist je dat ze achteruit kunnen vliegen? En witte vlinderstruiken trekken meer nacht- dan dagvlinders.  Wit is blijkbaar voor hen opvallender in het donker vandaar hun voorkeur. 

Heb je al eens een colibrivlinder (of meekrapvlinder) aan het werk gezien? Het is een dagactieve nachtvlinder uit de pijlstaartfamilie die in gunstige weersomstandigheden uit het zuiden naar onze streken afzakt.  Als een echte colibri blijven ze voor de bloem zweven.  Je ziet de zeer lange roltong, die als een horlogeveer kan opgerold worden, nectar zoeken.  Veel tijd om ze te observeren krijg je echter niet: ze blijken altijd zeer schichtig en gehaast te zijn… Als een snelheidsmaniak kunnen ze plots wegflitsen.  Ik heb ze nog nooit zien stilzitten en een mooie foto trekken is quasi een utopie… In 1999 is er voor de 1ste keer eentje langs geweest en sinds 2003 al elk jaar (soms 3 gelijktijdig).  Allicht het gevolg van onze warmere temperaturen.  Ze hebben bovendien een goed geheugen: dagenlang bezoeken ze dezelfde nectarbronnen op hetzelfde tijdstip.  

De paardebloemen, die eveneens nectar leveren, worden in het resterende gazon niet meer uitgestoken.  Ze passen zich aan en bloeien nu laag tegen de grond zodat de grasmachine ze meestel niet kan deren.  Het wordt stilaan een geel tapijt aangezien ze vlot vermeerderen. 

De sleedoornhaag geeft in het voorjaar eerst nectargevulde bloemetjes en pas erna verschijnen de blaadjes.  Het is een geliefde waardplant voor stippelmotjes: de rupsjes fabriceren er hun spinselnesten in en leven in groep samen.  Het geeft hen een veilig gevoel want belagers worden afgeschrikt door de doornige takken. 

In 1992 ben ik gestart met het stappen van m’n wekelijkse vlinderroute (tussen april en september bij gunstige weersomstandigheden).  Een initiatief van de Vlaamse Vlinderwerkgroep in samenwerking met de Nederlandse Vlinderstichting.  Dit om een inzicht te krijgen in de verspreiding van de dagvlinders = monitorproject.  Door tijdsgebrek heb ik enkele jaren gemist, maar sinds 2007 terug de draad opgenomen.  Ik kan nu evenwel evoluties en vergelijkingen maken met de beginjaren.  En dat niet alles positief is blijkt nu al… Onder andere door slecht bermbeheer langs de autostrade E17 zijn de icarusblauwtjes en kleine vuurvlindertjes ei zo na verdwenen (veel te veel maaien).  Maar hiervoor ga ik gepast initiatief ondernemen. 

Sinds 1994 ben ik systematisch begonnen met jaarlijkse tellingen in eigen tuin: telkens ik een eerste vlindersoort zie, wordt dit in een spreadsheet opgeslagen samen met enkele klimatologische gegevens en opvallende feiten.  De fenologietabel groeit jaar na jaar.  Doorgaans tel ik tussen de 15 à 20 verschillende soorten dagvlinders.  De laatste jaren dichter tegen de bovengrens dan in de beginfase.  Maar het aantal vlinders per soort zie ik afnemen en dit is spijtig genoeg een overheersende negatieve trend.  Het bevestigt jammerlijk de algemeen belabberde situatie.  Om maar 1 bron te noemen: uit het tweejaarlijks natuurrapport van INBO (Instituut voor Natuurbehoud Brussel) blijkt dat de Vlaamse biodiversiteit nog steeds afneemt.  Als mensen spreken over vlinders hoor ik zeer regelmatig de spontane opmerking: “Vlinders? Die zie je bijna niet meer.”.  Waar zijn ze toch gebleven? 

Toen ik in 1996 voor het eerst een koninginnepage op de vlinderstruiken zag, klopte m’n hart tot in m’n keel.  Ik ben vliegensvlug naar binnen gerend om het fototoestel; 10-tallen foto’s gaan er op zo’n momenten in ijltempo door in de hoop er toch enkele mooie aan over te houden (ondertussen digitaal).  Deze krachtige vliegenier is de grootste dagvlinder (tot 10 cm vleugelbreedte!) en een individuele zwerver die in het Waasland relatief (zeer) zeldzaam geworden is.  Maar sinds 2002 quasi elk jaar een bezoeker.  Zijn naam slaat op de kleurenrijkdom die vergelijkbaar zou zijn met de rijke kledij van de pages die de koningin in vroegere tijden dienden.  Een tante zaliger vertelde me eens dat het in haar jeugdjaren (circa 1920) een courante verschijning was in alle moestuintjes.  En wie had er toen geen moestuin(tje)? De rupsen leven immers van het loof van wortels.  Soms was het een echte plaag… Door allerhande menselijke ingrepen zijn ze in onze contreien aan het uitsterven.  Waar zijn ze toch gebleven? 

Het bont zandoogje (met het bonte vlekkenpatroon op de vleugels) vertoont opvallend territoriumgedrag.  Vanop de verheven bloemen van de trompetklimmer verjaagt het mannetje indringers of probeert hij een passerend wijfje het hof te maken.  Erna keert hij steevast terug naar zijn uitkijkpost.  Ze hebben graag kleine open plekjes met zon en schaduw aan de rand van bossen en struwelen. Ze zijn bezig met een opgang in de tuinen.



Reacties

Er zijn nog geen reacties.

Log in om een reactie te plaatsen