Wil ook jij specifieke informatie ontvangen over jouw tuin?

Heb je reeds een MijnTuin.org account? Aanmelden

René Latinne

René Latinne 1907- 2003


Hoewel hij nauwelijks bekend was bij het grote publiek, wordt René Latinne beschouwd als een van de belangrijkste figuren uit de Belgische tuinarchitectuur van de 20ste eeuw. Latinne was belangrijk vanwege de vele parken en tuinen die hij tijdens zijn lange carrière heeft ontworpen. Tot de bekendste behoren het vogelreservaat en het omliggend domein van het Zwin in Knokke, de tuinen bij het Koninklijk Domein in Oostende, de Rubenstuin in het Hortiflora in het Nachtegalenpark en de tuin Rubenianum van de patriciërswoning Kolveniershof in Antwerpen.

clip_image001(453).jpg

René Latinne ontwierp behalve parken ook meer dan 800 privé-tuinen. Maar zijn belang lag ook elders. Meer dan wie ook heeft hij geijverd voor de erkenning van de tuin- en landschapsarchitectuur in ons land. Zo was hij jarenlang docent aan de tuinbouwschool in Vilvoorde, was hij actief lid van de Belgische vereniging van Tuin- en Landschapsarchitecten BVTL en was hij in 1948 een van de oprichters van de Internationale Federatie van Landschapsarchitecten IFLA. Tot in de jaren 60 vertegenwoordigde hij België in die IFLA

CULTUUR Latinne was afkomstig van Antwerpen. Hij woonde met zijn ouders in Kapellen, waar hij naar eigen zeggen de liefde voor de natuur en voor tuinen met de paplepel meekreeg. Na tuinbouwstudies in Gent en Vilvoorde en een kort koloniaal intermezzo, vestigde hij zich als zelfstandig aannemer en ontwerper van tuinen en parken in Antwerpen.

Zijn eerste ontwerpen waren, vertelde hij enkele jaren geleden nog in een interview, bijna zuivere kopieën uit boeken over de klassieke Franse tuinen. Maar geleidelijk aan begon hij een eigen stijl te ontwikkelen. Basisgedachte daarbij was dat ‘een tuin rust moet uitstralen en het individu moet inspireren tot menselijke verdieping. Het gebruik van natuurlijke en streekeigen materialen, het sobere lijnenspel en de beheerste indeling van de groene ruimte behoren tot de grote middelen en krachtlijnen die die basisgedachte ondersteunen. Ook al zijn de tuinen van Latinne duidelijk gedateerd, de ontwerpprincipes die hij gebruikte, zijn ook vandaag nog altijd valabel.

Zo besteedde hij altijd veel aandacht aan het reliëf van een tuin. Tuinen in een vlak landschap of in de stad kregen altijd een vrij strakke, lineaire structuur. Voor tuinen op een meer geaccidenteerd terrein, zoals bijvoorbeeld in de duinen, gebruikte hij meer organische, gebogen lijnen, behalve dan vlakbij de woning. In de vlakke tuinen probeerde hij ook altijd wat reliëf te brengen door bijvoorbeeld in het gazon een lichte helling te maken. Daardoor gaan die tuinen ruimer lijken dan ze in werkelijkheid zijn.

Bij de woning zelf koos hij altijd voor een vrij formele, strakke structuur met rechte plantvakken, vijvers in een geometrische vorm, grote terrassen… Daarbij zorgde hij altijd voor een nauwe band met de architectuur van het gebouw. Maar Latinne probeerde in al zijn tuinen ook een stukje ‘wilde’ natuur te creëren, lossere weelderige groenstructuren met bomen en heesters, zoals Hamamelis, Rhododendron, Azalea, Amelanchier, Cornus enzovoort. Waar mogelijk maakte hij daarbij gebruik van de bestaande bomen en struiken of koos hij alleszins voor een beplanting die in sfeer aansloot bij de wijdere omgeving.

Heel typisch voor Latinne was trouwens dat hij een strakke omkadering van de tuin trachtte te vermijden. Belangrijk was dat de tuin opging in zijn omgeving. Volgens Latinne ‘schept een doordachte begrenzing een geborgen ruimte’. Dat gebeurde door de randbeplanting te doen aansluiten bij de aanwezige beplanting van de aangrenzende percelen. Een bruuske overgang met strak geschoren hagen gebruikte hij niet in een landelijke maar alleen in een stedelijke omgeving waar de tuin omringd is door bebouwing en straten. En zelfs daar probeerde hij door heesters- of boommassieven de strakke begrenzing te versoepelen. ’Dat is iets dat in al mijn tuinen voorkomt: eindigen in de natuur omdat anders alles te strak en eentonig wordt’.

In het verlengde van de woning lag meestal een gazon, soms met een vijver, dat voor rust en eenvoud moest zorgen en de omliggende beplanting accentueerde. ’Een graspartij en de aanwezigheid van licht geven je een sereen gevoel’ aldus Latinne. Wat ook opvalt in zijn tuinen is de zorg die hij besteedde aan de keuze van harde materialen voor paden en terrassen- meestal eenvoudige natuurlijke materialen als baksteen, natuursteen en kasseien- en aan de manier waarop ze werden verwerkt. Diepe voegen in keermuurtjes en paden waardoor elke steen wordt geaccentueerd, geometrische patronen om een groot oppervlak in hetzelfde materiaal te doorbreken, keermuurtjes en vijvers met een boordsteen die minstens 3cm oversteekt om een optimale schaduwkering te bekomen… Het zijn details, maar zonder dit soort details kan zelfs een goed ontwerp mislukken.

BOMEN Een andere constante in het werk van Latinne zijn bomen. Zij bepalen de structuur van de tuin, in elk seizoen. Zij overleven ook alle andere beplanting en maken een tuin tijdloos. ’De ruimtes en de oppervlakten moet je zoveel mogelijk inkleden met bomen’, verklaarde hij enkele jaren geleden. ‘Bomen kunnen nooit lelijk worden. Met de jaren, zelfs met de eeuwen worden die alsmaar mooier. Als je een bloementuin aanlegt en je besteedt er geen zorgen aan, dan wordt dat wild en heeft het geen betekenis meer. Terwijl bomen in elk seizoen de moeite waard zijn’.

Bomen zijn dan ook prominent aanwezig in zijn tuinen. Waar mogelijk behield hij bestaande bomen en boomgroepen, ook als ze niet altijd op de ideale plaats stonden en achteraf soms teveel ruimte innamen. Als het kon, plantte hij grote bomen. Als beeldbepalende elementen op strategische plaatsen of aan de rand van het perceel om een gevoel van beslotenheid te creëren of een bos te suggereren.

Latinne, die vond dat hij ‘het mooiste beroep ter wereld’ beoefende, had zeer uitgesproken ideeën over de specifieke taak van de tuinarchitect. ‘De kunde en het logische denken van een tuin- en landschapsarchitect ligt in het bieden aan de mens van samenstellingen waar hij in verbeelding een wereld van schoonheid op kleine schaal ontdekt en hem aan te moedigen het vergankelijke schone met liefde in stand te houden’.

Idealiter zou de tuinarchitect in een heel vroeg stadium, zelfs al bij de keuze van de inplanting van de woning, bij een bouwproject moeten betrokken worden, zodat er kan gelet worden op zichtassen en perspectieven. ’Architecten denken dat het volstaat te kunnen tekenen om een tuin te tekenen. Maar in zulke tekeningen zit niet de werkelijke bedoeling van de tuin’, stelde hij. ’Men mag de tuinarchitectuur, dat een plat vlak veronderstelt waarop je je ontwerp moet maken, niet vergelijken met het werk van een architect. Een architect van huizen moet met verticale lijnen werken, dat is een enorm verschil. Een architect van huizen kan niet oordelen over de topografie. Om een huis een inplantingswaarde te geven, is de tuinarchitect onmisbaar’.

Paul Geerts

Het archief van René Latinne met al zijn tuinplans wordt bewaard in het Museum voor Industriële Archeologie en Techniek (MIAT) in Gent.



Reacties

Er zijn nog geen reacties.

Log in om een reactie te plaatsen