Wil ook jij specifieke informatie ontvangen over jouw tuin?

Heb je reeds een MijnTuin.org account? Aanmelden

Zand, leem of klei ?

Een van de belangrijkste eigenschappen van de bodem is de textuur. Textuur is niets anders dan de verhouding tussen bodemdeeltjes van verschillende formaten. Bodems bevatten een mengsel van verschillende deeltjesgrootte en worden genoemd naar de overheersende deeltjesgrootte hierin.

  • Zanddeeltjes zijn 0.05 tot 2 mm groot, doorgaans groot genoeg om zichtbaar te zijn. Ze voelen tussen de vingers korrelig aan. Wat groter is dan zand, wordt grind genoemd.
  • Leemdeeltjes daarentegen (0.002 tot0.05 mm) zijn kleiner dan zand, en niet meer zichtbaar met het blote oog.
  • De fijnste bodemdeeltjes (klei) zijn kleiner dan0.002 mm. Pure kleideeltjes zijn glad en kleverig aan de vingers.
     

De invloed van de textuur op de bodemeigenschappen is groot. Tussen grotere deeltjes is bijvoorbeeld meer ruimte. Dat verklaart waarom zandige bodems sneller regenwater verliezen (goede drainage). Hoe kleiner de deeltjes, des te groter hun totale buitenoppervlakte waarmee ze water en voedingsstoffen kunnen vasthouden. Daarom kunnen bodems met meer klei of leem ook meer voedingsstoffen en water vasthouden.

Vanzelfsprekend zijn aan verschillende texturen voor- en nadelen verbonden. Teveel klei geeft een bodem met veel voedingsstoffen maar ook met problemen door slechte verluchting en trage drainage. Dergelijke bodems noemt men zwaar. Ook te veel leem kan drainageproblemen veroorzaken. Te veel zand betekent dat drainageproblemen zich nooit voordoen, maar dat u steeds weer moet bemesten omdat ook de voedingsstoffen wegspoelen. Dergelijke bodems noemt men licht. De beste bodemtextuur bestaat niet uit allemaal middelgrote deeltjes, maar uit een evenwichtige mix van zand, leem en klei.

Algemeen geldt dat hoe noordelijker men zich in Vlaanderen bevindt, hoe zandiger de bodem is. Grote streken in Midden-Vlaanderen bestaan uit een mengsel van zand en leem. Vooral in Brabant en Zuid-Limburg komen leembodems voor. Echte kleibodems vindt men slechts in de polders of in de onmiddellijke omgeving van sommige waterlopen.

COURANTE KENMERKEN VAN BODEMS MET VERSCHILLENDE TEXTUUR

Hoog zandgehalte

  • Bewerkbaar wanneer vochtig of nat
  • Enigszins stoffig in droge toestand
  • Vormt geen kluiten
  • Warmt in de lente snel op
  • Weinig organisch materiaal
  • Organisch materiaal breekt snel af
  • Zuur of alkalisch karakter gemakkelijk te corrigeren, maar de correctie houdt niet lang stand
  • Klein tot matig gevaar voor watererosie
  • Voelt korrelig aan tussen de vingers
     

Hoog leemgehalte

  • Moeilijker te bewerken wanneer vochtig of nat
  • Vaak zeer stoffig in droge toestand
  • Vormt zelden kluiten
  • Warmt in de lente enigszins traag op
  • Vrij veel tot veel organisch materiaal
  • Organisch materiaal breekt enigszins snel af
  • Groot erosiegevaar in winderig gebied
  • Groot gevaar voor erosie door water
  • Voelt zijde-achtig aan tussen de vingers
     

Hoog kleigehalte

  • Niet te bewerken wanneer vochtig en kleverig (groot gevaar voor verdichting)
  • In droge toestand hard of cementachtig
  • Warmt in de lente traag op
  • Vrij veel organisch materiaal
  • Organisch materiaal breekt langzaam af
  • Gering erosiegevaar in winderig gebied
  • Gering gevaar voor watererosie indien de structuur goed is
  • Groot gevaar voor watererosie als de structuur slecht is
  • Voelt glad aan tussen de vingers, kleverig indien vochtig
     

Textuurcorrectie

Er bestaat een eenvoudige remedie voor bodems met een niet zo ideale textuur: voeg organisch materiaal toe. Massa’s organisch materiaal (zoals compost) zorgen ervoor dat een bodem met om het even welke textuur zich gaat gedragen als de ideale tuingrond. Pure klei toevoegen aan zand verbetert de textuur, maar is in de praktijk nauwelijks haalbaar. Grof zand kopen om aan klei toe te voegen is al gemakkelijker, maar voldoende toevoegen om de drainage echt te verbeteren is een andere zaak. Organisch materiaal is veel gemakkelijker toe te voegen, en doeltreffender. Dankzij grote hoeveelheden organisch materiaal kunnen zandige bodems beter vochtig blijven en voedingsstoffen vasthouden. Organisch materiaal verbetert magisch genoeg ook de verluchting en drainage van klei- en leembodems.

 

4 regels voor bodembewerking volgens  Ewald Könemann auteur van de Kleine Biologische Tuinencyclopedie


Eerste regel
Alles leeft- ook grond! De grond ontstond ooit eens door erosie van het gesteente uit de bergen; hij zou echter nooit vruchtbaar geworden zijn, als er geen micro-organismen (algen, bacteriën, schimmels, enz.) waren geweest, die samen met de hogere planten humus hadden gemaakt. Ontelbare micro-organismen deden en doen dat werk nog steeds: ze maken de grond los en kruimelig, en bovenal: vruchtbaar. Alle maatregelen bij de bewerking van de grond moeten rekening houden met het bodemleven.

Tweede regel
Gooi de grond zo min mogelijk om. Bewerk hem oppervlakkig, zodat het bodemleven zijn natuurlijke gelaagdheid behouden kan en de humus bovenin blijft. Maak de grond wèl van tijd tot tijd diep los. Verkruimel zo veel mogelijk in plaats van te spitten of te ploegen (gebruik liever de cultivator dan de ploeg). Kluitvorming is de vijand van de grond.

Derde regel
Laat rustig anderen het werk voor u doen; de micro-organismen in de grond staan voor u klaar. Ze zullen volgaarne hun werk verrichten, mits u de bodem bedekt houdt. Dat kan, en wel met organisch materiaal als blad, stro, turfmolm, onkruid (dat niet in het zaad zit) groente- en rabarberbladeren, kaf, houtspaantjes en tenslotte natuurlijk ook met goede korte mest of goed verteerde kompost. Verder kunt u de grond bedekken met zichzelf, door steeds maar weer te hakken en/of te schoffelen, steeds maar weer, en natuurlijk liever oppervlakkig dan diep. Fruitbomen en bessenstruiken zijn er bijzonder dankbaar voor als u de grond rondom hen voor en na de bloei afdekt met gemaaid groen materiaal, groenbemester of gras, of wanneer u dat oppervlakkig in de bovenste bodemlaag inbrengt. Een bodembedekking zorgt er in ieder geval voor, dat er geen korst bovenop de grond kan komen. Het bespaart u werk met hakken en schoffelen. De schaduw welke erdoor op de grond valt is een eerste klas hulp, want zonlicht is vergift voor de grond.

Vierde regel
’Een ieder heeft net zo veel onkruid, als hem toekomt’ heeft eens iemand gezegd. Maar hakken en schoffelen doen we niet in de eerste plaats tegen het onkruid, maar om de grond open te houden. Een dichtgeslagen grond is vergif voor het bodemleven. De uitwisseling van gassen staat niet stil, er kan geen lucht in de grond, en het koolzuurgas kan er niet uit. Giftige gassen hopen zich op onder de korst. De waterhuishouding raakt gestoord. Met hakken en schoffelen regelen we gas en water in de grond

Bron: Kleine Biologische Tuinencyclopedie



Reacties

Er zijn nog geen reacties.

Log in om een reactie te plaatsen



In onze shop