Wil ook jij specifieke informatie ontvangen over jouw tuin?

Heb je reeds een MijnTuin.org account? Aanmelden

Foto: Spruitkool

In verschillende opzichten zijn spruitjes een topper in ons groenteassortiment. Spruitkool heeft het immers naar haar zin in ons vochtig en koel klimaat, de teelt is niet al te moeilijk en levert in herfst en winter een verse, heerlijke groente op. Ook in de beroepsteelt zijn er heel wat spruitenkwekers die van augustus tot maart spruitjes op de markt brengen.
Een spruitje is eigenlijk een sterk ontwikkelde okselknop: een klein, vast kooltje dat zich in de bladoksel ontwikkelt. Als het niet geplukt wordt, komen de blaadjes los en open te zitten. We spreken dan van roosjes. Bovenaan de 60 tot 100 cm lange stam zitten de bladeren dichter op elkaar, vaak zonder spruiten in de oksels. Dat topblad vormt ook een kooltje dat heel lekker is.
Spruiten kunnen in een normale winter met goed gevolg buiten blijven staan. Na strenge vorst valt er wel altijd schade te noteren. Volledig winterharde rassen bestaan immers (nog) niet. In uitzonderlijk koude winters kan de hele plant ten onder gaan.

1. Teeltwijzen

De verschillende teeltwijzen lopen in elkaar over. De rassenkeuze bepaalt de oogstperiode, veel meer dan de zaai- en plantdata. Om de oogst te spreiden moet je dus verschillende rassen planten. De opbrengst van spruitkool die eind mei en later geplant is, wordt steeds lager.

Vroege teelt
Je zaait uit onder plat glas of in de koude serre zodat je al in augustus en september spruiten kunt plukken.

Normale teelt
Naargelang de rassenkeuze vallen plant- en oogsttijden vroeger en spreken we van middelvroege of middellate teelt. Voor zaaibeurten in de eerste helft van maart kan je nog glas of plastic voorzien, daarna zaai je buiten op zaaibed. De hoogste opbrengsten verkrijg je door te zaaien vóór einde maart en te planten vóór einde mei.

Late teelt
De late teelt verloopt precies als de middellate teelt, maar door weer andere rassen te gebruiken valt de oogst nog later. Zoals op het teeltschema aangeduid, worden deze doorgaans niet later dan 20 juni geplant. Als men de spruiten als nateelt op vroege aardappelen laat volgen, zal het planten pas in de eerste helft van juli kunnen gebeuren, wat onvermijdelijk een verlies aan opbrengst zal meebrengen. Maar wie dat voor lief neemt, kan tot uiterlijk half juli spruiten planten.

2. Rassen

Het rassenassortiment valt uiteen in twee groepen: zaadvaste rassen en hybride rassen. De hybriden hebben sinds hun opkomst in 1970 nagenoeg de ganse beroepsmarkt veroverd. Ze zijn meer gelijkvormig dan de oude rassen, en bovendien rijpen de spruiten min of meer gelijktijdig af, waardoor machinale oogst mogelijk werd met een eenmalige pluk.
De zaadvaste rassen worden in enkele beurten geoogst (meermalige pluk). Zaadvaste rassen geven eerder afgeplatte spruiten, terwijl men bij de selectie van hybriden naar ronde spruiten streeft. De kleur van de spruiten kan per ras verschillen, van licht- tot donkergroen of rood.
Lage, stevige rassen kunnen op vruchtbare grond geteeld worden; hoge, minder stevige rassen zijn geschikt voor minder vruchtbare grond en moeten vooral in het begin langzaam kunnen groeien om een redelijk stevige stam te krijgen.

Voor de amateur is een ras met een lange oogstperiode interessanter. Hij kiest dus voor een zaadvast ras.

Zaadvaste rassen
Het basisras is Roodnerf, dat zijn naam dankt aan de rode kleur van de bladnerven. In 1974 was het nog het meest geteelde ras. Roodnerf is voor normale en late teelt geschikt.
Een tweede groep selecties uit Roodnerf heeft geen rode nerven meer. Een selectie uit deze laatste die nog bij sommige beroepstelers stand houdt is Sanda (middellaat, halfhoog).
Andere zaadvaste rassen zijn de Rosny en Groninger (vroeg). Rubine heeft donkerrode spruiten met een iets lagere opbrengst en is geschikt voor late teelt.

Hybride rassen
Het lijstje hybriden wordt bij spruiten regelmatig aangevuld en vernieuwd. Je vindt vooral Diabolo, Igor en Lancer en Oliver.

3. Bodem

Spruiten kan je op alle grondsoorten telen, met uitzondering van zeer lichte zand- en zware kleigrond. Van belang zijn een goede structuur en ontwatering. Op humusrijke tuinbouwgronden groeit het gewas vaak weelderig en met losse spruiten.

4. Bemesting

Net als de andere kolen verbruiken spruiten flink wat voedingsstoffen. Wees echter zeer voorzichtig met stikstofvoorziening. Met stikstof overvoede spruitplanten geven een te weelderig gewas dat omvalt en losse spruiten draagt. Die worden vlugger aangetast. Vooral op lichte grond doen deze verschijnselen zich voor. Op humusrijke gronden die regelmatig zwaar bemest worden, krijgen spruiten dus beter geen extra stikstof. Op armere gronden wordt de bemesting liefst in meerdere beurten uitgevoerd. Spruiten moeten immers het hele seizoen rustig en regelmatig kunnen groeien. Ook bodembedekking met bladeren of ander organisch materiaal is ideaal. Bij stikstofgebrek zien we paarsverkleuring, laagblijvende planten en een kleine opbrengst aan vaste spruitjes. De rassenkeuze is hier van belang: voor rijke tuingronden kies je een laagblijvend, stevig ras.

5. Standplaats

Hou rekening met de vruchtwisseling die geldt voor alle kolen.
Late spruitkool wordt door liefhebbers vaak na vroege aardappelen geplant.

6. Opkweek

Je kan de spruitkoolplantjes kopen of je kan ze zelf opkweken. Zaad van hybriden is vrij duur. Je verbetert de opkomst door gaatjesfolie over het zaaibed te leggen. In maart kan je zelfs onder plat glas of volle plastic zaaien.
Zaai op rijtjes op een zaaibed met goede structuur, dat niet te rijk is aan voedingsstoffen. Het is beter dat de plantjes in het begin niet te snel groeien. Tussen de rijtjes kan je schoffelen en licht aanaarden. Dat is niet overbodig want de plantjes blijven er 8 tot 10 weken staan. Late spruiten worden ook wel ter plaatse gezaaid.

Vóór het planten maak je het zaaibed goed nat. De zwakke planten verwijder je. De gebruikelijke plantafstanden variëren van 70 x 60 over 70 x 45 tot 60 x 60 cm. Voor een machinale, eenmalige oogst wordt ruimer geplant. Hoe nauwer men plant, hoe kleiner de spruiten uitvallen. Vroege rassen kunnen iets dichter geplant worden dan late.

7. Teeltzorgen

Hakken en schoffelen, koolkragen aanbrengen en mulchen zijn de gewone karweitjes. Als de stammen toch dreigen om te vallen, kan je ze beter steunen met een stokje of aanaarden. De onderste bladeren pluk je alleen af als ze geel worden. Losse spruiten moeten ook zo snel mogelijk geplukt worden.

Voor de machinale, eenmalige pluk worden de planten getopt. Daardoor groeien de bovenste spruiten sneller uit en wordt de verdere groei van de onderste geremd.

In de amateurteelt past men het toppen toe als een soort vervroeging. Als er half september nog maar weinig of geen spruitjes gevormd zijn – wat zeker het geval is als je ze laat geplant hebt – neem je de koppen weg. De spruiten zullen dan sneller dikken maar de totale opbrengst zal dan wel lager uitvallen. Getopte planten hebben ook vlugger last van de vorst en moeten dus eigenlijk voor de winter geoogst worden.

8. Oogst

De spruiten snij je met een mesje van de stam of pluk je gewoon door ze zijdelings af te breken. Zodra de spruiten onderaan dik genoeg zijn, kan je een eerste keer oogsten. Meteen verwijder je ook de losse en rotte spruiten, en ook de eventuele scheuten aan de voet. Dat is van belang voor de kwaliteit van de later te plukken spruiten. Naarmate het seizoen vordert, snij je de middelste en tenslotte ook de bovenste spruiten af.

9. Bewaring

Normaal blijven de spruiten aan de plant tot het moment van de oogst. Slechts in zeer strenge winters kan dat een keer slecht aflopen. Eens geoogst bewaren de spruitjes zonder koeling 4-5 dagen. Bij een temperatuur van 3 tot 4°C wordt dat ongeveer 8 dagen. Het snijvlak wordt al vlug bruin en de buitenste blaadjes vergelen. Door die er af te halen zijn de spruiten weer bruikbaar. Spruiten die je in een vorstperiode oogst, eet je het best onmiddellijk op.

10. Zaadteelt

Ook van spruitkolen hielden veel telers tot voor kort hun eigen selecties in stand. Nochtans komt hier ook weer het gevaar van verbastering om het hoekje kijken.
Normaal oogst men niets van de uitgekozen planten. Zonodig verplant je ze in het voorjaar. Verwijder dan de onderste spruiten en de kop. De bloemstengels die dan uit de overblijvende middenste spruiten te voorschijn komen, bind je vast aan de hoofdstengel. Het zaad rijpt af in juli of augustus.
Volgens een andere methode worden de spruiten gewoon geoogst. In de lente verschijnen dan bloemstengels op de kop van de planten. Neem alleen zaad van de beste planten.

Uit: Handboek Ecologisch Tuinieren, Velt

Eigenschappen

Hoogte
1 - 70 cm

 

1 varieteit van deze plant

Deze plant in de webshop