Wil ook jij specifieke informatie ontvangen over jouw tuin?

Heb je reeds een MijnTuin.org account? Aanmelden

Foto: Bloemkool (algemeen)

Foto: Bloemkool (algemeen)

2.500 jaar geleden was de bloemkool al bekend in Turkije en Egypte. Ze kwam nog voor het jaar 1500 naar onze streken. Van bloemkool eet je nu eens niet het blad, maar wel de bloemkool zelf: de verdikte en vervormde bloemstengels, die samen met de onontwikkelde bloemknoppen en schutbladeren, een witte vlezige massa vormen die aan de oppervlakte gesloten en korrelig van uitzicht is. Bloemkool wordt beschouwd als een zeer fijne en lekkere groente, die zowel rauw als gekookt populair is.
In de beroepsteelt is bloemkolen kweken veelal arbeidsintensief specialistenwerk. België, en dan vooral het Mechelse, staat bekend als producent van vroege bloemkool. Ons klimaat biedt bloemkolen dan ook waar ze om vragen: regelmatig en veel water, en niet te hoge temperaturen. Inlandse bloemkolen zijn voornamelijk te koop van mei tot december, met pieken in juni en oktober.

1. Plant

In vergelijking met de andere kolen, heeft de bloemkool een lang blad. De kool, die een onvolwassen, vlezig verdikte bloeiwijze is, wordt onder invloed van het licht geelachtig en los. Als de kool volgroeid is, zullen aan de rand ervan bloeistengels te voorschijn komen met grote gele bloemen. Anders dan bij andere kolen kan dat binnen één en hetzelfde seizoen na het zaaien.

2. Teeltwijzen

Bloemkool kent heel wat verschillende teeltwijzen. Vroege bloemkool is oogstbaar in mei en juni. We onderscheiden weeuwenteelt en vrijsterteelt. De zomerbloemkool gaat van de hand in juli en augustus. Herfstbloemkool is verkrijgbaar in de maanden september, oktober en november. Winterbloemkool komt nog iets vroeger dan de vroegste vroege bloemkool. Praktisch al deze teeltwijzen zijn ook door de amateur uitvoerbaar. De gemakkelijkste, of meest oogstzekere zijn de vrijsterteelt en de herfstteelt. Veruit de moeilijkste teelt is de zomerteelt.

Weeuwenteelt

Een niet zo vaak toegepaste mogelijkheid om vroeg bloemkolen te oogsten is de weeuwenteelt, dus met zaaibeurt vóór de winter. Deze teeltwijze vraagt de hele winter verzorging. Eind september, begin oktober zaai je onder koud glas, meestal in de grond van de serre of de platte bak. Soms wordt ook in kistjes gezaaid en verspeend. Als de planten 2 tot 3 bladeren hebben (begin november), plant je ze in potten van 10 tot 12 cm diameter.
Die potten plaats je in een platte bak of koude serre, die je zo veel mogelijk lucht. Als strenge vorst verwacht wordt, moeten de planten extra beschermd worden: over de platte bak leg je rieten matten of dubbel glas; in de serre kan je een plastic tunnel over de plantjes spannen of je kan krantenpapier (geen plastic) op de plantjes leggen. Dat neem je pas weer weg als de planten volledig ontdooid zijn. Bij vorstvrij lucht je opnieuw veel om harde planten te verkrijgen.
In de tweede helft van maart plant je ze dan buiten uit, vaak in 2 rijen op een verhoogd bed. De potten blijven gewoonlijk naast de planten staan, om ze bij aangekondigde nachtvorst omgekeerd over de planten te zetten. Ten vroegste einde mei kan je dan de eerste bloemkolen afsnijden. Als je dat bij 3 planten op 4 kunt doen, is dat een goede score.

Vrijsterteelt

Dit is de gewone vroege teelt. Zaai in februari onder koud glas, in de platte bak of in perspotjes van 5 cm. Hard de plantjes af en plant ze in de tweede helft van april uit.
De vroege teelt heeft het minst te lijden van knolvoet omdat de schimmel zich manifesteert bij warm weer (juni-juli). Op dat moment is de kool al zover gegroeid dat hij de ziekte min of meer de baas blijft.

Zomerteelt

Deze teelt is alleen mogelijk op voedzame grond met een goede watervoorziening. Zaai in april - mei in platte bak of serre. Plant na 6 tot 7 weken uit, liefst met een flinke wortelkluit.

Herfstteelt

Deze teelt is wat minder moeilijk en kan als na¬teelt komen na vroege aardappelen, peulgewassen, aardbei, zomerprei of sla. Zaai op een zaaibed in de vollegrond. In de zomer worden de plantjes al 4 weken na het zaaien uitgeplant om de kans op boorders te beperken. Herfstbloemkool moet je indien nodig tegen de eerste vorst beschermen. Voor een normale nachtvorst volstaat het afdekken met een koolblad

Winterteelt

Winterbloemkool wordt soms verkeerdelijk met de naam broccoli aangeduid. Broccoli is inderdaad een oude naam voor winterbloemkool, die nu nog in Engelstalige publicaties gebruikt wordt. Sinds de opkomst van de echte, groene broccoli is het gebruik van de term broccoli voor winterbloemkool verwarrend en te vermijden. Winterbloemkool is immers een gewone witte bloemkool die wat beter tegen de vorst kan.
Winterteelt van bloemkool is tegelijk riskant en interessant. Riskant omdat bij serieuze vorst (kouder dan -10°C) alle bloemkolen onherroepelijk sneuvelen. Interessant omdat deze teelt minder last heeft van zomerse ziekten en plagen. Er wordt eind juni-begin juli dun gezaaid in vollegrond. Plant na 6 tot 7 weken uit op ruime afstanden, zo nodig op verhoogde bedden. Na het planten, moet je geleidelijk wat aanaarden. Voer de bemesting pas uit bij het hernemen van de groei in maart. In de winter zijn naast strenge vorst ook wateroverlast en wildschade (duiven) te vrezen.
De teelt wordt vooral beoefend in kustgebieden. Die hebben immers een iets zachter winterklimaat. Zware grond is aangewezen. De oogst valt, afhankelijk van het ras, in april of in mei. Vermits de teeltperiode alle wintermaanden bestrijkt, is de teeltduur wel erg lang.

Glasteelt

Bloemkool wordt nooit onder warm glas maar wel onder koud glas geteeld, dikwijls als voorteelt van tomaten. Zaai eind september-begin oktober onder koud glas en pot begin november in. Plant uit van eind december tot eind januari (koude serre) of in januari-februari (platte bak). In beide gevallen moet je veel luchten. In maart gaat het glas van de platte bak er af. Het komt er dus op neer dat je te werk gaat zoals bij de weeuwenteelt, met dat verschil dat we de planten onder glas (of plastic) uitplanten in plaats van buiten.

3. Rassen

Elke teeltwijze kent in de amateurteelt één of twee ruim verspreide rassen, plus nog enkele minder bekende. De beroepstelers gebruiken eigen selecties (voor de vroege teelt) en een aantal rassen, waarvan een groot deel niet in de liefhebbershandel verkrijgbaar is. Sommige rassen zijn zelfdekkend: het bovenste blad vertoont een plaatselijke kromming naar binnen toe, wat de kool beschermt tegen het licht, en eventueel ook tegen ongunstig weer. Veel moderne rassen zijn in die mate zelfdekkend dat je ze, als je ze tegen de oogst aan een keer afdekt, mooi wit kunt houden.

Het is belangrijk voor elke teeltwijze het juiste ras te kiezen. Bij een verkeerde keuze loop je het risico enkel blad en geen bloemkool te krijgen.

Vroege teelt
Twee rassen springen eruit: Mechelse Vroege en Alpha. Verder zijn er nog Sneeuwbal. Vroege rassen zijn weinig tot tamelijk zelfdekkend. Sensation F1 en Marine F1 zijn hybride rassen voor de vroege teelt.

Zomerteelt
Mechelse Vroege is ook geschikt voor vroege zomerteelt Space Star F1, Fremont F1 en Marine F1 zijn hybride rassen voor de zomerteelt.

Herfstteelt
Het bekendste herfstras is (Verbeterde) Herfstreuzen, met als selecties Revito, Lawyna en Veith. Daarnaast komen voor de vroege herfst de bladrijke Alpha-types van de zomerteelt nog in aanmerking. Verder kennen we de rassen Flora Blanca, en Lateman. Herfstrassen behalve de Alpha-types zijn veelal goed zelfdekkend. Marine F1, Fremont F1, Kosmos F1 zijn hybriden voor de hersfstteelt.

Winterteelt
Deze rassen verschillen erg van alle vorige en verschillen onderling nog in vroegheid. De vroege types zijn weinig oogstzeker. Het basisras is Walcheren Winter middelvroeg. Een oud ras is (Zeer) Vroege van Angers. Winterbloemkool moet zelfdekkend zijn.

Glasteelt
Voor de glasteelt neem je een vroeg ras, met voorkeur voor een Mechels type.
Dalton F1 en Amadeus F1 zijn hybride rassen voor de winterteelt


Speciale rassen:

Romanesco
Deze geelgroene kooltjes worden veel geteeld in Noord-ltalië. De kool bestaat uit kleine, gedraaide torentjes, die samen een grotere toren vormen en die samen de spits toelopende kool vormen. Geschikt voor herfstteelt. Selecties ervan zijn Preloce en Minaret.

Purper...
Purple Cape, Violet Queen zijn zowaar purper van kleur. Na koken heeft de kool een frisgroene kleur. Herfstteelt.

Oranje…
Orange Bouquet

... en groen
Trevi, Universal is groen en werd bekomen uit een kruising van bloemkool met broccoli. Deze is geschikt voor zomer- en herfstteelt.

4. Bodem en bemesting

Bloemkool moet ongestoord kunnen groeien. Ze stelt dus hoge eisen aan de grond en aan voedsel- en watervoorziening. De bodem moet een goede structuur bezitten, goed ontwaterd maar ook niet droog zijn. Vroege bloemkolen doen het goed op humusrijke zandgronden die zwaar bemest worden. De latere bloemkolen vragen zwaardere grond, en winterbloemkool gaat zelfs alleen goed op leem en kleigronden. De ideale zuurtegraad is 6,5 (pH-water).
Qua bemesting eist bloemkool van alle koolgewassen nog het meest: vooral stikstof en kalium. De zware dosissen compost worden op lichte grond het best gespreid: een gedeelte vóór het planten, een gedeelte een zestal weken na het planten. De voedselbehoefte is vooral groot vanaf het 2-blad stadium. Met de hoge compostgiften geef je normaal ook voldoende kalium. Slechts op kalium-arme gronden kan je een weinig houtasse, vinasse of patentkali bijgeven vóór het planten. Winterbloemkool wordt pas in het voorjaar bemest. Op de zaaibedden is geen speciale bemesting vereist.

5. Standplaats

Voor de vruchtwisseling gelden dezelfde regels als voor kolen in het algemeen. Herfstbloemkool wordt veel als nateelt verbouwd, na bijvoorbeeld vroege aardappelen, aardbei, zomerprei of sla. Vroege bloemkolen kan je vóór andere veeleisende gewassen telen.

6. Opkweken

Bloemkool wordt bijna nooit ter plaatse gezaaid. Als je maar enkele plantjes nodig hebt, kan je die misschien beter kopen. Ook beroepstelers kopen hun plantjes dikwijls bij gespecialiseerde telers. Zelf zaaien kan natuurlijk ook. Van 1 g zaad, dat zijn zowat 400 zaden, kan je 100 en soms meer bruikbare planten verwachten. Naargelang de opkweekmethode verschilt de zaaiwijze lichtjes.

Om losse planten op te kweken zaai je op een fijngemaakt en gesloten zaaibed, buiten of onder koud glas. Soms wordt er wat potgrond door de grond gemengd.
Het zaaien van kooltjes gebeurt in een eerder magere grond, omdat je stevige plantjes wil met een goed ontwikkeld wortelgestel. Deze grond kan bestaan uit een deel potgrond, een deel tuingrond en een deel turf.
Ofwel verdeel je het zaad gelijkmatig over de benodigde oppervlakte en hark je het oppervlakkig in, ofwel zaai je op rijtjes, op 4 x 4 cm of 15 x 1 cm, als je ze in zeer jong stadium uitdunt tot op 15 x 7 cm (winterbloemkool) of 15 x 3 cm (de andere teelten). Om planten met kluit te bekomen, zaait men gewoonlijk in bakjes of op een zaaibed. De jonge plantjes worden dan verspeend, ofwel in grote perspotten, ofwel in stenen bloempotten van 10 tot 14 cm diameter. Het verspenen mag niet te vroeg gebeuren, dat kan een groeistilstand tot gevolg hebben. De grond waarin verspeend wordt, kan fijne compost zijn, eventueel aangevuld met potgrond. Je verspeent het best als het plantje zo’n 10 cm groot is en de kleur onderaan de stengel van grasgroen naar lichtbruin omslaat.
Je kan ook rechtstreeks in perspot of pot zaaien, 2 zaden per pot, om er dan later waar nodig één plantje uit weg te nemen. Als je maar enkele planten nodig hebt, is dat te overwegen.

Bloemkoolplantjes moet je zeer goed afharden. Een of twee dagen voor het planten maak je ze goed nat. Zet de plantjes diep genoeg. De perskluit moet zeker onder de grond zitten om uitdroging en omwaaien te voorkomen. Druk goed zijdelings aan! Na het planten volgt onvermijdelijk een groeistilstand, die we echter zo beperkt mogelijk moeten houden door de plantjes jong genoeg uit te planten en te gieten. Bij losse planten duurt de groeistilstand langer dan bij planten die in pot of perspot zijn opgekweekt.

7. Teeltzorgen

Afdekken
De meest kenmerkende verzorging is het afdekken van de groeiende bloemkool met één of meer bladeren, om ze tegen het zonlicht te beschermen. Dit is om te voorkomen dat de kool tijdens de groei vergeelt. Als je vergeling niet erg vind, hoef je de bloemkool niet te bedekken. Vergeling geeft immers geen verlies van kwaliteit of smaak.
Beslis je toch om je bloemkolen af te dekken, dan kan je dit op verschillende manieren doen:
• Je kiest een zelfdekkend ras. Herfst- en winterrassen zijn overwegend goed zelfdekkend.
• Je buigt één van de binnenste grote bladeren over de kool en steekt de top van dit blad tussen de kool en de kleine jonge bladeren zodanig dat alles op zijn plaats blijft zitten. Als de afdekking hierdoor nog onvoldoende is dan kan je eventueel nog een tweede blad kruiselings op dezelfde manier over het eerste omgebogen blad buigen. Een voorwaarde om deze methode te kunnen toepassen is dat de bladeren van de bloemkool goed buigzaam zijn. Deze methode is de beste omdat het blad dat de kool afdekt blijft leven.
• Je trekt een groot onderblad van de kool. De grotere hartbladeren die soms in de weg zitten, duw je met een hand voorzichtig opzij, terwijl je met de andere hand het blad met de onderkant naar boven op de kool legt. Duw niet op de kool, maar stop het blad alleen zachtjes in aan de zijkanten van de kool. Soms wordt er nog een tweede blad kruiselings over het eerste gelegd.
• Je plooit het binnenblad om, zodat het over de kool komt te liggen. De afdekking is dan wel minder goed en je schakelt er een actief blad mee uit.
Bij de twee laatste methoden maak je onnodig wonden en werwelkt het afdekblad na enige tijd. Indien je deze niet op tijd vervangt door een ander groen blad, loop je het risico dat de kool aangetast wordt door een schimmelziekte.
Als algemene regel geldt dat de kool niet met de handen mag aangeraakt worden. Na aanraking met de huid ontstaan er namelijk na een aantal dagen bruine vlekken op de kool.

Wanneer moet je nu afdekken? Vanaf het moment dat de kool zich begint te vormen en aan licht zou kunnen blootgesteld worden. Dat is bij alle planten niet op precies hetzelfde moment, waardoor je genoodzaakt bent regelmatig (om de 2 dagen) door het gewas te lopen om te kijken of er niet gedekt moet worden.

Gieten
Bloemkool is erg gevoelig voor droogte, vooral vlak na het planten (zomerkool) en in de periode van de koolvorming. Bij droog weer giet je dan één keer per week. Als het weer in de periode dat de kool gevormd wordt warm en droog is, is de kans op groene doorwas (zie Ziekten en plagen, p. 511) groter.

Andere zorgen
Koolkragen leggen is bij bloemkool noodzakelijk. Regelmatig schoffelen houdt het onkruid eronder en de grond goed los. Je kan eventueel lichtjes aanaarden. Vooral winterbIoemkolen stellen dat op prijs.

8. Oogst

Het juiste oogsttijdstip is vóór de kool aan de zijkant los begint te worden. In de zomer kan dat erg snel gaan en is regelmatige controle vereist. De bloemkool wordt samen met wat groene bladeren met een mes van de stronk gesneden. Daarna kan je het blad wat inkorten.

9. Bewaring

Bloemkool is een zeer kwetsbare groente, die binnen de kortste keren verkleuringen en rotte plekken krijgt, en zonder koeling slechts 2 of 3 dagen smakelijk blijft. Bij een temperatuur van 2 tot 5°C kan dit tot 6 of 8 dagen oplopen. Je laat het best voldoende blad aan de kool. Voor langdurige bewaring moet je inzuren.

10. Zaadteelt

Hoewel heel wat beroepstelers hun eigen selecties kweken, is bloemkoolzaad telen zeker geen gemakkelijke zaak. Al was het maar omdat bloemkool gemakkelijk verbastert.
Bloemkool wordt in de herfst gezaaid, overwintert onder glas en wordt in het voorjaar uitgeplant onder glas of in vollegrond. Na een tijdje schieten er bloemstengels op. Als de bloemknoppen niet goed door de krop groeien, neem je wat bloemknoppen weg of snij je in het hart van de kool een stuk ter grootte van een ei, weg. Alleen de bloemstelen die aan de rand van de kool tevoorschijn komen leveren vruchtbare bloemen. De bloemknoppen die geen bloemstengels vormen, verdrogen.
In verhouding met de andere kolen, levert bloemkool relatief weinig zaad. Men gebruikt alleen de grootste zaden. Planten van eigen gewonnen zaad zijn beter aangepast aan de plaatselijke omstandigheden.

Uit: Handboek Ecologisch Tuinieren, Velt.

Eigenschappen

Hoogte
1 - 50 cm
Kleur
  •   
  •   
Licht
Zon

 

1 varieteit van deze plant