Wil ook jij specifieke informatie ontvangen over jouw tuin?

Heb je reeds een MijnTuin.org account? Aanmelden

Foto: Selder (algemeen)

Foto: Selder (algemeen)
Foto: Selder (algemeen)

Selder of selderij is afkomstig van de landen rond de Middellandse Zee en heeft zich over zowat de hele wereld verspreid. Of het nu de knol, het blad of de stelen zijn die gegeten worden, het is steeds die aparte, tamelijk sterke smaak die de selder zo onvervangbaar maakt in de keuken. Ook het zaad bevat dezelfde aromatische olie (graveolens betekent sterk ruikend). Misschien heeft dat iets te maken met het gezegde dat selder de viriliteit bevordert. Een oude naam voor selder is eppe, een naam die echter ook aan een kruid gegeven wordt met een straffe seldersmaak: lavas (Levisticum officinale), ook genoemd Maggi-plant, doorlevende selder of bastaardselder.

1. Plant

Alle selders zijn tweejarige, kruidachtige planten. Het eerste jaar vormen ze normaal alleen bladeren, het tweede jaar een bloemstengel die tot een meter hoog kan zijn. Het wortelgestel bestaat uit een dunne hoofdwortel en veel zijwortels. Bij knolselder is de wortel min of meer bolvormig verdikt. De naamgeving van de seldersoorten bezorgt ons heel wat hoofdbrekens. De naam groene selder bijvoorbeeld wordt in sommige boeken en catalogussen gebruikt voor drie verschillende seldersoorten die elk een aparte teeltwijze hebben.

De indeling van de soorten selder vind je in bijstaande tabel, met in de middelste kolom de namen zoals we die hier verder zullen gebruiken.
In de eerste kolom zie je dat er vanuit plantkundig standpunt drie verschillende variëteiten zijn:

  • De selders van de variëteit secalinum hebben als gemeenschappelijke kenmerken dat ze een holle steel hebben, tamelijk winterhard zijn en minder vatbaar voor ziekten. We gebruiken het blad en de stengel als soepgroente of kruid. Om gestoofd te eten zijn ze te scherp van smaak, en ook te vezelig. Een mengsel van het gedroogde blad met keuken¬zout wordt als selderzout verkocht. We onderscheiden er twee groepen: snijselder en groene selder (met holle steel).
  • In de variëteit dulce vindt men de bleekselders. Zij hebben brede, volle stelen, zijn niet winterhard en gevoeliger voor ziekten. Hiervan stooft men de stengels.
    Ook hier zijn twee groepen, de zelfblekenden die uit zichzelf een geelachtige kleur hebben en de groenblijvenden die eigenlijk bedoeld zijn om te bleken. Beide hebben dezelfde teeltwijze.
  • De variëteit Rapaceum is de knolselder, die zich duidelijk onderscheidt van de andere selders door zijn knolwortel. Hij wordt geteeld voor de knol, die gebruikt wordt in de soep, of om te stoven of rauw in een slaatje.

2. Bodem

Selder is een plant die geen watertekort verdraagt. Lichte, humusarme gronden zijn daarom niet erg geschikt. De gewenste zuurtegraad ligt aan de hoge kant. Op zandgrond geteelde knolselders bewaren minder goed, bevatten vaak meer water en hebben meer kans op holle koppen en zwart verkleuren.

3. Bemesting

Bleekselder wordt meestal iets zwaarder bemest dan snijselder en groene selder met holle steel. Knolselder wordt het zwaarst bemest. Voor bleek- en knolselder kan je tijdens de groeiperiode (juli-augustus) het best nog eens een extra compostgift uitvoeren of ook gebruik maken van één of andere samengestelde organische meststof. Alle selders houden van bodembedekking. Verse stalmest verhoogt de kans op bladvlekkenziekte.

4. Standplaats

Selder (doorgaans ook knolselder) komt op het perceel van de bladgewassen en is meestal een hoofdteelt. Veelal is het mogelijk om op hetzelfde perceel een voorteelt (bv. spinazie of kropsla) uit te voeren. Na schermbloemige groenten kweken we zeker geen selder. Voor selder moeten we een vruchtafwisseling van minimum 1 op 4 aanhouden, vooral wegens de gevreesde bladvlekkenziekte, veelal roest genoemd.

5. Zaaien

Gebruik bij voorkeur overjarig selderzaad. Dit zaad kiemt vlugger en regelmatiger omdat er veel minder etherische olie in voorkomt dan bij éénjarig zaad. Deze olie remt de kieming. Omdat zaden vaak sporen van de verwekker van de bladvlekkenziekte bevatten, is het aan te raden om het zaad voor het zaaien te ontsmetten door een warmtebehandeling.
Selderzaad is zeer fijn (1 g zaad bevat 2.000 zaden) en kiemt zeer traag. Daarom is voorkiemen aangewezen. Selder is een plant die tijdens de kieming vrij hoge temperaturen vraagt. Daarom is het aan te raden om onder warm glas, binnen, of onder koud glas te zaaien. Buiten zaaien kan enkel bij snijselder en groene selder met holle steel, en dan pas ten vroegste half april als de temperatuur hoog genoeg is. Meestal zal het zelfs dan nog aan te raden zijn om onder een plastic tunnel te werken. De ideale temperatuur tijdens het kiemen bedraagt 18-20°C.
Zaaien doe je in een bakje met potgrond, dat al een tijdje op de gewenste temperatuur (15-20°C) is gebracht. Selder is een lichtkiemer. Het zaad wordt met een klein beetje grond of wit zand bedekt zodat het zeer oppervlakkig ligt (max. 2 mm diep). Zorg er voor dat het bovenste laagje nooit uitdroogt door het regelmatig te benevelen. Eerst verschijnen de kiemblaadjes en pas daarna het eerste paar echte blaadjes. Vanaf dat moment mag je verspenen.

6. Verspenen

Warm voorgekweekte selder wordt altijd één keer verspeend, koud gezaaide soms ook. Het verspenen gebeurt in potjes of perspotjes met een diameter van ±5 cm. Zorg dat je niet te diep plant, het hartblaadje moet boven de grond blijven. Ook nu nog hou je de temperatuur liefst boven de 15°C. De grond in het potje heeft het best dezelfde temperatuur als de grond van het zaaibed.
De plantjes hard je af door de koude bak open te zetten of door de potjes overdag buiten te plaatsen. Dit kan vanaf half april voor groene selder met holle steel en vanaf begin mei bij knolselder en bleekselder. Na enkele dagen kan je ze bij zacht weer en een bewolkte hemel buiten laten overnachten.

7. Planten

Een achttal weken na het zaaien kan buiten worden uitgeplant. De plantjes zijn dan 5 tot 10 cm hoog. Vóór het uitplanten wordt de potkluit goed natgemaakt, dan komt hij gemakkelijk los van het potje. Het met potkluit uitplanten heeft het grote voordeel dat er geen groeistilstand plaatsvindt. Selder reageert immers vaak op een groeistilstand door in zaad te schieten. Let erop dat je niet te diep uitplant: het hart van de plant moet zich ook nu weer boven het grondoppervlak bevinden. Na het uitplanten druk je de wortels aan.

8. Teeltzorgen

Bodembedekking
Eens het perceel grondig gewied is, breng je het best bodembedekking aan, bv. gemaaid gras. Deze bodembedekking zal het voor de selder broodnodige vocht in de grond houden en kan bovendien voor de veeleisende bleek- en knolselder nog een kleine extra voedselgift zijn.

Gieten
Giet regelmatig, ook als de bodem bedekt is. Selder is nu eenmaal gek op water.

9. Oogst en bewaring

Hoe de verschillende seldersoorten geoogst en bewaard worden, leggen we bij elke soort afzonderlijk uit.

10. Zaadteelt

Selder is een tweejarige plant die pas gedurende het tweede jaar bloeit en zaad levert. Bij selder hebben we altijd minimum 2 planten nodig omdat er via wind en insecten kruisbestuiving plaatsvindt. Daardoor is het echter ook onmogelijk om in je tuin van twee verschillende selderrassen raszuiver zaad te kweken. De planten die men heeft uitgekozen, worden in de winter vorstvrij bewaard, ofwel ter plaatse, ofwel door ze in grote bloempotten te herplanten. In april-mei schieten ze door. Je brengt een stevige steun aan, verwijdert de bovenste bloemschermen en laat enkel de zijschermen verder ontwikkelen. Eens de schermen bruin worden, zijn ze rijp en mogen ze afgesneden worden. Ze moeten op een luchtige, droge plaats narijpen. Tussen het zaad van de verschillende seldersoorten is geen onderscheid te maken.

Uit: Handboek Ecologisch Tuinieren, Velt.

Eigenschappen

Hoogte
30 - 70 cm
Kleur
  •   
Winterhard
Neen
Licht
Zon
halfschaduw