Wil ook jij specifieke informatie ontvangen over jouw tuin?

Heb je reeds een MijnTuin.org account? Aanmelden

Zwaluwtong

Fallopia convolvulus  • 

Foto: Zwaluwtong

Zwaluwtong (Fallopia convolvulus, synoniem: Polygonum convolvulus) is een plant uit de duizendknoopfamilie (Polygonaceae). De geribde stengels winden zich met de wijzers van de klok mee om allerlei dingen heen die als steun kunnen dienen. Als deze steun niet wordt gevonden liggen stengels horizontaal. De lengte bedraagt 30-100 cm. Zwaluwtong komt zeer algemeen voor op bouwland, braakliggend terrein en in de duinen.

De bladeren zijn driehoekig tot hartvormig. Ze zijn langgesteeld en puntig. De onderzijde is vaak poederachtig wit.

De bloempjes zijn groenachtig wit. De buitenste delen van het bloemdek zijn gevleugeld of gekield. De zwaluwtong bloeit aarvormig van juli tot oktober.

Zwaluwtong heeft dofzwarte vruchtjes met een doorsnede van 4-5 mm. Deze zijn omsloten door een blijvend bloemdek. De vrucht is een nootje.

 

Namen
Nederlands: Zwaluwtong
Frysk: Wylde boekweit
English: Black-bindweed (Climbing Buckwheat)
Français: Renouée liseron
Deutsch: Winden-Knöterich
Wetenschappelijk: Fallopia convolvulus (Polygonum convolvulus, Bilderdykia convolvulus)
Geslacht: Kielduizendknoop
Familie: Duizendknoopfamilie, Polygonaceae
Geslacht: Fallopia, Kielduizendknoop
Naamgeving: Fallopia is vernoemd naar de Italiaanse anatoom Gabriello Fallopio, in Latijn Fallopius (1523–1563), beheerder van de botanische tuin in Padua. Convolvulus betekent " als een Winde" .

Beschrijving

Afmeting: 10 tot 100 cm.

Levensduur: Eenjarig. Therofyt (geen winterknoppen).

Bloeimaanden: Juli, augustus, september en oktober.

Wortels: Worteldiepte 20 tot 50 cm.

Stengels: De dunne, liggende of klimmende stengels kunnen tot 1 meter lang worden. Meestal winden ze rechtsom. In de lengte zijn ze geribd, kantig en ruw.

Bladeren: De driehoekig-eironde bladeren hebben een toegespitste top, afgeronde zijden, een hartvormige tot pijlvormige voet, met de grootste breedte even boven de bladvoet. De 2 bladvoetslippen zijn spits, terugwijzend, dofgroen, vaak rood aangelopen, ruw door kleine stekelhaartjes en gesteeld (behalve de bovenste). Op de bladsteel zie je groefjes, die nectar afscheiden en mieren aantrekken.

Bloemen: Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De groenachtige tot witte bloemen groeien op gekromde steeltjes. Je vindt ze met 1 tot 5 bij elkaar in de bladoksels of in een aarachtige bloeiwijze met weinig bloemen.

Vruchten: Een eenzadige dopvrucht of nootje. De 4 tot 5 mm grote zaden zijn driekantig en dofzwart. Het vruchtdek is gekield of smal gevleugeld en langer dan het vruchtsteeltje. De zaden zijn langlevend (> 5 jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Biotoop

Bodem: Zonnige, open plaatsen op vochtige tot droge, voedselrijke, vaak omgewerkte, niet te zure, vrij lichte grond (zand en leem).


Groeiplaatsen: Akkers (graan- en hakvruchtakkers en akkerranden), tuinen, zeeduinen (langs duinpaden, vooral op plaatsen waar het zand met houtsnippers vermengd is), braakliggende grond, wegranden, bermen (omgewerkte grond), langs spoorwegen, onder kreupelhout, aan de voet van heggen, ruderale plaatsen (o.a. afvalhopen) en waterkanten (langs rivieren).

 

Deze plant heeft een draadvormige, windende, kantige, vertakte, zwak ruw behaarde stengel met lange leden.
 
De bladen zijn in omtrek rondachtig- tot langwerpig-eirond, toegespitst, met hart- of pijlvormigen voet (hierop slaat de naam zwaluwtong). Zij zijn lang gesteeld met behaarde bladstelen, zijn gaafrandig en hebben korte, gaafrandige scheden.

De bloemen zitten in kleine hoopjes van 2-6 in de bladoksels. De bloemstelen zijn kaal, korter dan het vruchtbloemdek en dicht onder dit geleed. Het bloemdek is groen, aan den rand en van binnen wit of lichtrose, de buitenste bloemdekslippen zijn stomp gekield. Meeldraden zijn er 8 met violette helmknopjes en verder 3 knopvormige stempels. De vrucht is 3 ½ mm lang, rimpelig gestreept, zwart, driekantig en zeer nauw omsloten door het eerst dofgroene, tenslotte gele bloemdek. 7 cM-9 dM. Juli-Herfst.


De var. subalátum Lej. et Court. met smal gevleugelde buitenste bloemdekslippen is zeldzaam gevonden, de var. trianguláris de Br. met driehoekige, buitenste bloemdekslippen is bij Weerdinge en Hilversum gevonden.
 
Biologische bijzonderheden
De plant is rechts windend (zie de hop). De stengelkanten, die bij het draaien van de stengel zelf schuin loopen en de stijve rugwaarts gekeerde borstels, dienen om den stengel steviger om het voorwerp, waarom hij zich windt, te bevestigen.

De bloemen vallen weinig op. Er is dan ook weinig insectenbezoek. De bloemen zijn op spontane zelfbestuiving aangewezen, daar de helmknopjes en stempels te gelijk rijp zijn en elkaar wel eerst niet aanraken, doch later door het ombuigen der helmdraden naar binnen wel.
 
Voorkomen in Europa en in Nederland
De plant komt door geheel Europa op bouwland, tusschen kreupelhout en in heggen voor en is bij ons algemeen.
 
Volksnamen
De plant is in het Oosten van Gelderland bekend als beerbende of beerbinde en in vele streken als wilde boekweit, in Groningen heet zij windom.
 
convólvulus = winde, subalátum = bijna gevleugeld, trianguláris = driehoekig.
 
Bron; blz. 83, deel 2 van de Flora van Nederland 1909-1911 (3 delen) door H. Heukels. Naamgeving is mogelijk aangepast.
 

Waardplant voor

  • Nachtvlinders en micro's
    • Viervleksteltmot - Calybites phasianipennella (1)
  • Paddenstoelen
    • Veenwortelroest - Puccinia polygoni-amphibii (1)
  • Vliegen en muggen
    • Pegomya setaria (1)

Eigenschappen

Hoogte
30 - 100 cm