Wil ook jij specifieke informatie ontvangen over jouw tuin?

Heb je reeds een MijnTuin.org account? Aanmelden

Foto: Druif 'Glenora'

Foto: Druif 'Glenora'

Een pitloze blauwe druif, doet het erg goed in Nederland. Heeft een zoete smaak.

Kleur van de vrucht: blauw

Smaak van de vrucht: zoet

Gebruik: consumptie

Bron: Fruitbomen.net

Plaats de plant op een zonnige plek. Zorg dat de plant niet verwildert en mooi open blijft groeien. Bemesting gebeurt in de winter. Hoe groter de plant des te meer kalk toevoegen. Zelfbestuivend. Snoeien in juni. De plant is resistent tegen meeldauw.

In het voorjaar kan de druif bemest worden met bijvoorbeeld gedroogde koemest (iets verzurend) of bloed- of beendermeel (voor meer kalk in de grond). De meststof moet in ieder geval veel calcium en kalium bevatten. Bij een tekort aan voedingsstoffen (of te weinig zonuren) komt de vruchtzetting niet goed op gang. Omdat de wortels van de druif doorgaans ver uitgroeien, heeft het weinig zin om alleen rond de stam te bemesten. 

Snoeien


Het snoeien van druiven lijkt enorm ingewikkeld. Het valt echter reuze mee, wanneer duidelijk is waarom bepaalde handelingen verricht moeten worden. De wintersnoei vindt bij voorkeur plaats tussen half november en begin januari. Maar als het vriest mag er niet gesnoeid worden. De takken scheuren dan makkelijk of kunnen breken. Een druif mag nooit gesnoeid worden in de periode tussen half januari en april. Dan komt de sapstroom op gang en bestaat het gevaar dat de plant gaat bloeden, soms met fatale afloop. Pas als hij weer volop in het blad staat kan er zonder risico geknipt worden. Druiven bloeien op eenjarig hout. Om vruchten te er dus voor gezorgd worden dat er jonge scheuten zijn, maar dan vooral niet te veel. In de winter worden daarom door middel van snoeien enkele stevige jonge zijscheuten geselecteerd die vrucht moeten gaan dragen (de leggers). Deze worden aangebonden, waarna alle overbodige takken bij de stam weggeknipt worden. Ook kunnende hoofdgesteltak en de leggers ingekort worden als deze te lang zijn geworden. De zijtakken op de leggers worden het eerste jaar teruggesnoeid tot een lengte van circa 10 à 15 cm. Deze stompjes worden stift genoemd. De ruimte tussen de stiften moet minimaal 10 cm bedragen, liefst zelfs iets meer. Staan de stiften te dicht op elkaar, dan worden de overtollige stiften tot op de legger weggeknipt. De volgende jaren wordt dit in de winter herhaald. De groeischeut die zich het jaar daarvoor op de oude stift heeft ontwikkeld wordt dan weer tot 15 cm ingekort, terwijl de andere groeischeuten op en rond die stift weggeknipt worden. Of er worden nieuwe stiften door de oude stiften helemaal weg te knippen. Uit de ogen op de legger ontstaan dan weer nieuwe stiften. De meeste rassen worden gesnoeid op stiften aan de bovenzijde. Enkele nieuwe rassen groeien beter wanneer de scheuten aan de onderzijde van de legger zitten (hangend). Daarbij worden dan de scheuten aan de bovenzijde telkens verwijderd. 

Een andere snoeimethode is de zogenaamde Guyot-snoei. Hierbij worden maar 2 jonge zijscheuten horizontaal (of in een vorm) als legger aangebonden om vrucht te gaan dragen. Ze worden afgeknipt op een lengte van 100 cm, of zelfs nog iets korter. De rest van de plant wordt helemaal weggesnoeid. Deze snoeimethode is vooral aan te raden bij rassen (of planten) die minder vruchtbaar zijn, of slappe takken hebben. Over het algemeen geldt bij het snoeien: hoe minder takken aangehouden worden, hoe groter en voller de druiventrossen zullen zijn. 

De zomersnoei heeft als doel de overvloedige bladontwikkeling (die ten koste gaat van de beoogde druivenoogst) binnen de perken te houden. Per stift mag 1 scheut doorgroeien. Na de bloei kunnen alle jonge scheuten waar zich geen trossen aan ontwikkelen direct helemaal weggesnoeid worden. De zijscheuten waaraan zich wel trosjes ontwikkelen, worden boven de eerste afgeknipt. Heeft de plant korte of weinig leggers dan kan boven de tweede tros afgeknipt worden. Hier bij blijft ook wat blad aan de plant zitten, om de jonge trossen te beschermen tegen regen of een teveel aan zon. In de oksels van de stiften zullen zich in de loop van de zomer voortdurend nieuwe scheuten ontwikkelen. Hier komen geen vruchten aan, en ze moeten dan ook zo snel mogelijk, liefst om de 2 of 3 weken, weggehaald worden. Dit karweitje noemt men dieven. Gebeurt dit te laat, dan onttrekken deze groeischeuten te veel vocht en voedsel aan de plant, en zullen de trossen verschrompelen en bruin worden. Dit wordt lamsteligheid genoemd. Dit verschijnsel kan zich overigens ook voordoen als er teveel leggers aan de plant zitten, als er teveel trossen aan de plant hangen of door een teveel aan kalium of een andere meststof in de grond. 

Krenten is een ander zomerkarweitje dat uitgevoerd moet worden bij de niet-zelfkrentende druivenrassen. Zodra de trossen groeien, zullen er ook spontaan druifjes uit vallen. Dit is een natuurlijke selectie: alleen de sterkste druiven groeien door. Ook hier geldt weer dat de druiven die doorgroeien dikker zullen zijn naarmate de concurrentie geringer is. Druiven bereiken hun maximale grootte als er niet meer dan 9 druiven aan een tros zitten. Zorgt het druivenras niet zelf voor afstoting van de overtollige kleine druiven in de tros, dan kunnen met een schaartje de kleinste, in groei achtergebleven druifjes eruit geknipt worden. 

Eigenschappen

Variëteit van
Druif (algemeen) (Vitis vinifera (algemeen))
Hoogte
100 - 400 cm
Kleur
  •   
Winterhard
Ja
Neen
PH
Kalkrijk
Neutraal
Vochtigheid
Normaal
Licht
Zon
Evergreen
Bladhoudend
Bladverliezend