Wil ook jij specifieke informatie ontvangen over jouw tuin?

Heb je reeds een MijnTuin.org account? Aanmelden

Foto: Meloen (algemeen)

Foto: Meloen (algemeen)
Foto: Meloen (algemeen)
Foto: Meloen (algemeen)

Meloenen waren al bekend in het oude Egypte. De dunne stengels zijn zo goed als rond en buigzaam. Ze bezitten hechtrankjes, waarmee ook echt geklommen kan worden. De mannelijke bloemen staan in groepjes van drie tot vier bijeen. De vrouwelijke bloemen staan elk afzonderlijk en zijn goed te herkennen aan het eivormige vruchtbeginsel ¬onderaan de bloem. Zonder bestuiving, normaal door bijen, kunnen er geen vruchten gevormd worden.

1. Teeltwijzen

De teelt in de vollegrond is hier erg moeilijk. In een koude bak, een koude serre of onder een plastic tunnel, blijft het een vrij moeilijke teelt die heel wat aandacht vraagt. Van zaaien tot oogsten vragen de meloenen veel warmte. Een opkweek bij zo’n 20-22°C is een goed begin. Zaai ten vroegste half maart en liever in april binnenshuis in zaaibakjes met potgrond. Verspeen de kiemplantjes in potten van 10 tot 12 cm groot en hou het op ±18°C. Onmiddellijk in zulke potten zaaien kan ook. Zaaien in een onverwarmde serre is ook mogelijk als er maar temperaturen boven de 20°C heersen. Vanaf begin mei kan je de plantjes in de grond zetten onder koud glas. Onder de plastic tunnel kan dat pas twee weken later. De minimumtemperatuur die de grond moet hebben, ligt rond 12°C. Bij lagere temperaturen zal de teelt zeker niet lukken. Om de temperatuur aan de voet van de planten omhoog te krijgen wordt vaak paardenmest (als broeimest) gebruikt. Wat ook helpt, is planten op een heuveltje. In de koude bak plant je 1 plant per raam. Onder plastic hou je een afstand van 50 cm tussen de planten aan. In een serre kunnen meloenen aan een draad omhoog geleid worden (afstand 50 cm).

2. Rassen

Bij meloenen kunnen we een vijftal belangrijke types onderscheiden:

  • Oranje Ananas of Tijgermeloen is het meest aangeboden type. Het zijn vrij grote, geribde meloenen. Van buiten zijn ze crèmekleurig geel, met groene vlekken die bij rijpe meloenen oranjerood worden. Het vruchtvlees is oranjegeel. Deze rassen zijn geschikt voor de platte bak en de serre maar wel gevoelig voor meeldauw.
  • Het type Ogen is van de beroepsteelt overgenomen. Het is afkomstig uit Israël. De groene, geribde schil wordt goudgeel bij rijpe meloenen. Het vruchtvlees is lichtgroen. De vruchten blijven klein en het ras is uitstekend geschikt voor de teelt langs koorden in de serre. Het kan ook wel in de platte bak. Het ras Ha-On F1 is een verbeterde Ogen, resistent tegen meeldauw en weinig gevoelig voor apenkontjes (misvormde vruchten).
  • Suikermeloenen hebben een hoger suikergehalte, tot 15%, tegenover 10% voor de andere types. Het zijn tamelijk zware, hoogronde vruchten met een lichtgele schil. Het vruchtvlees is lichtgroen. Voorbeeld: Westlandse Suiker.
  • Het type Cantaloup staat voor geribde meloenen van gemiddelde grootte met een grijsgroene schil en oranje vruchtvlees. Het zijn Europese meloenen. Min of meer bekend zijn Charentais, Cantaloup Charentais en Petit Gris de Rennes.
  • De Netmeloen heeft op zijn schil een tekening van onregelmatige lijnen. Hij is van gemiddelde grootte, heeft een oranjegele schil en lichtgroen vruchtvlees. Bv.: Polidor F1.
     

3. Bodem en bemesting

Al te zware grondsoorten zijn niet geschikt maar daarnaast kan meloen overal gedijen. Als de grond maar genoeg vocht kan vast houden, flink wat humus bevat en genoeg voedsel. Meloenen zijn slokoppen. Maar als ze te zwaar bemest worden, groeien stengels en bladeren veel te uitbundig wat de vorming van meloenen en de gezondheid van de plant belemmert. Jonge compost of halfverteerde stalmest zijn uitgelezen voedselbronnen voor meloenen.

4. Standplaats

Meloenen in plastic tunnels kunnen de volledige normale vruchtafwisseling volgen en samen met de andere vruchtgewassen geteeld worden.
Als je in de koude bak of serre geen rekening houdt met vruchtafwisseling, krijg je na een tijd zeker problemen met bodemschimmels.

5. Snoei

Meloenen worden altijd gesnoeid, maar op veel manieren, die lichtjes verschillen.

Platte bak
De plant wordt ingetopt na 4 bladeren.
De stam van de plant is dus afgesneden. De plant wil verder groeien en in elke bladoksel ontwikkelt zich een nieuwe stengel, die hoofdrank genoemd wordt.

Elke hoofdrank groeit weg van de stam en wordt naar een hoek of een zijde van de bak geleid, of onder de tunnel opengespreid. Elke hoofdrank mag vrij doorgroeien, tot hij 60 of 70 cm lang is.

Ondertussen hebben de hoofdranken ook weer zijranken gevormd. In de bladoksels van die zijranken verschijnen hier en daar vrouwelijke bloemen die na een gelukte bestuiving tot vrucht uitgroeien. Op twee bladeren na de vrucht wordt de zijrank ingesnoeid. De zijranken zonder vruchten worden volledig weggenomen.
Als er 4 of 5 dikkende meloenen aan één plant zitten worden de vruchten en scheuten die later nog bijkomen weggesnoeid. Als je dat niet doet, heb je veel kleine meloentjes, die niet goed afrijpen. Van het ras Ogen en van andere kleinvruchtige rassen kan je tot 10 vruchten laten staan. Meestal wordt ook aangeraden de vruchten die vlak bij de stam verschijnen, te verwijderen om meer en grotere meloenen te oogsten.

In de serre aan één draad
Men draait de oorspronkelijke stengel (de stam) rond een koord en laat hem zo omhoog groeien. Meestal worden de onderste zijranken helemaal weggenomen. De volgende zijranken worden na één blad afgesneden en de bovenste zijranken na twee of meer bladeren. Aanvankelijk komen er alleen mannelijke bloemen in de bladoksels. Maar na 1,5 m verschijnen ook de eerste vrouwelijke bloemen. De plant groeit over de horizontale draad waaraan de koorden bevestigd zijn. Pas als er 4 vruchten gevormd zijn, wordt de top afgesneden. Scheuten die nog ontstaan in de bladoksels van de zijranken neem je volledig weg. De plant zal niet afzakken, omdat er één of twee meloenen over de draad hangen die het geheel in evenwicht houden.


In de serre aan vier draden
Bij nog een andere methode snoei je het jonge plantje: de stam na 2 bladeren, de hoofdranken ook na 2 bladeren. De 4 zijranken die dan verschijnen bind je op. Je moet dan wel een koord gebruiken met enkele knopen of lussen erin, zodat de stengels later niet van de koord kunnen schuiven. De bloemen die aan de 4 zijranken verschijnen, zijn bijna allemaal vrouwelijk. Als er zich één kleine meloen aan zulke zijrank begint te vormen, snoei je die rank op 7 bladeren. Op dat ogenblik, of iets later, bind je de vrucht op door een kort stukje koord net onder het vruchtsteeltje te knopen en de andere kant vast te maken aan een bovenliggende knoop of lus. De scheuten die nog ontstaan in de bladoksels van de zijranken neem je volledig weg. Het voordeel van deze werkwijze is dat je sneller vrouwelijke bloemen krijgt. De laaggeplaatste vertakkingen hebben het nadeel dat de stengelvoet minder snel kan opdrogen.


6. Teeltzorgen


Vlak na het planten hou je de serre, de bak of de tunnel zoveel mogelijk dicht om de temperatuur op peil te houden. Giet zo weinig mogelijk en niet op de voet van de planten. Gebruik geen koud water. Zwakke en niet aangeslagen planten hebben bescherming nodig tegen de zon. In dat geval kan men op elk raam een plek in het midden witten. Hoe warmer het weer wordt, hoe meer er moet gelucht worden. In juli en augustus moet je dus regelmatig luchten en bij warm weer mag glas of plastic eraf.
Luchten is ook nodig om bestuiving door de bijen mogelijk te maken. Ofwel moet je de bestuiving zelf uitvoeren door een rijpe mannelijke bloem te nemen, de kelkbladeren eraf te plukken en het binnenste van de bloem op de geopende vrouwelijke bloemen te drukken. Herhaal dit 2 of 3 keer tijdens de bloei. Vooral als het weer koud is voor de tijd van het jaar, kan deze menselijke hulp nodig zijn.
Onder de dikkende meloenen leg je het best een plankje of een stuk glas. Ze worden dan niet zo gauw rot.

 

7. Oogst en bewaring


Kleuring van de schil, scheurtjes rond de vruchtsteel en de geur van de meloenaroma duiden op rijpheid. Rijp geoogste meloenen blijven nog ongeveer 3 dagen goed eetbaar.
Meloenen waarvan de schil nog groen is maar het vruchtvlees al begint te rijpen, kan je nog 7-8 dagen eten na de oogst. Dit doet men vooral bij de Netmeloen. Aanwijzingen dat een Netmeloen begint te rijpen, zijn het grijzer worden van het net en het geel verkleuren van de schil op de plaats waar de vrucht in contact kwam met het ligoppervlak. Oogsten doe je door de vrucht op de hand te leggen en eventjes naar links en naar rechts te draaien zonder te trekken. Een rijpe vrucht laat dan gemakkelijk los.
Bij kamertemperatuur kan je meloen maximaal een week bewaren, bij een temperatuur tussen 6 en 9°C iets langer.

 

8. Zaadteelt


Enkele jaren na elkaar zelfgekweekt zaad gebruiken, is mogelijk. Laat de uitgekozen vrucht helemaal afrijpen, haal de zaden eruit, was ze en laat ze goed drogen. Verbastering met andere komkommerachtigen is mogelijk.

 

9. Ziekten en plagen

Meloen is misschien wel de zwakste uit de komkommerfamilie en kandidaat voor alle ziektes die beschreven zijn in het algemeen overzicht hierna. Om aantasting door schimmelziektes te voorkomen, is vooral het luchten van belang.
In de intensieve beroepsteelt zijn verwelkingsziekte (Fusarium oxysporum) en zwartwortelrot (Phomopsis sclerotioides) de twee meest gevreesde ziekten. Het gebruik van op resistente onderstammen geënte planten brengt hier voor een deel oplossing.
Bacteriehartrot (Erwinia carotovora) is verantwoordelijk voor de rotting die begint bij snoeiwonden die te lang nat blijven of bij scheurtjes. Preventie bestaat uit het bepoederen van de snoeiwonden met kalk of houtskoolpoeder.
Typisch voor meloenen is ook zonnebrand: lichtgrijze, ingezonken plekken op vruchten. Vooral in een zwak gewas met weinig blad heeft de zon vrij spel. De ramen lichtjes witten is dan aan te raden.
Tenslotte komt bij sommige rassen het verschijnsel apenkontjes voor. Dit zijn vruchten met een afwijkende vorm, veroorzaakt door het uitgroeien van een bloembodem die breder is dan normaal. Het ras Ogen is er gevoelig voor.
 

Bron: Velt

Eigenschappen

Hoogte
40 - 200 cm
Kleur
  •   
Winterhard
Neen
PH
Neutraal
Vochtigheid
Normaal
Vochtig
Licht
Zon
halfschaduw
Evergreen
Bladverliezend

 

3 varieteiten van deze plant