Wil ook jij specifieke informatie ontvangen over jouw tuin?

Heb je reeds een MijnTuin.org account? Aanmelden

Foto: Wortel

Foto: Wortel
Foto: Wortel
Foto: Wortel

De wortel (of peen) is ontstaan uit wijd verspreide wilde planten. Wilde peen is een inheemse plant. Daucus-zaden werden 2000 jaar geleden al gebruikt voor medicinale doeleinden. Als wortelgroente deed de peen haar intrede in Europa in de 13e of 14e eeuw. Haar oorsprong ligt in Klein-Azië. Aanvankelijk ging het om paarse en later om gele wortelen. Nog later ontstonden daaruit witte en oranje wortelen die vanaf de 17e eeuw bij ons worden aangetroffen.

De wortel is een tweejarig gewas. Het eerste jaar worden reserves opgeslagen in de verdikte hoofdwortel. Het tweede jaar worden die aangewend om bloemen te vormen.

De vezelachtige kern van de wortel wordt hart of pit genoemd en onderscheidt zich duidelijk van de rest van de wortel.

1. Teeltwijzen

Als we de vroege teelt onder glas erbij rekenen, is het mogelijk om het hele jaar van zelf geteelde wortelen te genieten. Daarvoor moet je dan wel op verschillende momenten aan de slag. De wortelteelt kent twee grote groepen:
• de vroege en de zomerteelt leveren wortelen voor onmiddellijk verbruik.
• de late teelt of winterteelt levert bewaarwortelen.
Daarnaast is er nog de teelt van veldwortelen die gebruikt worden als veevoeder.

Vroege teelt

Vroeg in het voorjaar zaai je in rijen op 15 tot 20 cm van elkaar, het best onder beschutting:
- platte bak: wie veel plaats in zijn platte bak heeft, kan een deel ervan in januari of februari met worteltjes bezaaien.
- tunnels: met buizen en plastic folie van 0,1 mm dik, kan je tunneltjes maken waarin je ook al vanaf januari kan zaaien. Nadeel is wel dat de plastic nogal eens kapot waait.
- gaatjesplastic: wordt los over de grond gelegd, geeft minder bescherming en vervroeging dan de twee vorige en is beter geschikt voor februari en maart.

Het verdient altijd aanbeveling het glas of de plastic enkele weken voor het zaaien op zijn plaats te brengen zodat de grond kan opdrogen en opwarmen. In maart kan je eventueel ook zonder beschutting zaaien. Deze vervroegde zaaibeurten hebben het voordeel dat de wortelen al flink groeien als de wortelvlieg actief wordt zodat ze hiervan niet zoveel schade ondervinden.
Een enkele keer worden er ook in oktober buiten wortelen gezaaid. Als alles meezit, kunnen die dan eind mei, begin juni op tafel komen.

Zomerteelt

De zaaibeurten in vollegrond vanaf eind maart rekenen we bij de zomerteelt. Het weer kan dan nog koud en nat zijn. Een afdekking met plastic tot na de opkomst kan dan voordeel brengen. De rijafstand is 20 tot 25 cm. Je zaait het best enkele opeenvolgende keren (bv. om de 2 maanden) zodat de oogst gespreid wordt. De laatste zaaibeurt valt einde juli.

Late teelt

Voor de winterteelt liggen de zaairijen verder uit elkaar – 30 tot 40 cm – en wordt er ook minder zaad gebruikt. Gewoonlijk loopt de zaaiperiode van half april tot eind mei, uitlopend tot half juni. Flakkese kan men zaaien tot ongeveer 25 juni, Berlikumer tot begin juli. Sommige tuiniers verkiezen om winterwortelen pas begin juli (en zelfs tot eind juli) te zaaien. Volgens hen zullen de wortelen dan minder barsten, wat wel eens gebeurt ten gevolge van herfstregens.
Andere bronnen stellen dat je met late zaaibeurten van winterrassen na eind mei niet meer de maximumopbrengst kan halen omdat de groeiduur van deze rassen langer is.
Veldwortelen zijn sterke wortelen, bedoeld als veevoeder. Een aantal rassen zijn ook geschikt voor menselijke consumptie. De teelt verloopt zoals bij de gewone late rassen. De afstand in de rij is wel -groter.

Bij combinatieteelt moet je de afstanden veel ruimer nemen. Witloof bijvoorbeeld, moet op rijen met 60 cm tussenafstand komen met daartussen telkens een rij wortelen.

Zoals op het zaaischema goed te zien is, kunnen zomerwortelen dus normalerwijs later op het jaar gezaaid worden dan winterwortelen. Dat lijkt wat bizar, maar is het eigenlijk niet. De rassen voor vroege- en zomerteelt hebben immers een kortere groeiperiode. Het zijn vroege, dus snelgroeiende rassen. Terwijl de winterrassen een langere groeiperiode hebben. Het zijn late, dus traaggroeiende rassen.

2. Rassen

Rassen voor vroege- en zomerteelt
- Amsterdamse Bak en selecties (bv. Minicor, Douceur, Mokum F1): in België en Nederland de vroegste en belangrijkste vroege wortel. Doet het goed op grond met losse structuur. Een slanke, vrij lange, cilindrische, gladde wortel. Zowel voor teelt onder glas als in vollegrond.
- Nantese en selecties (bv. Forto, Tantal): sterker en ook geschikt voor drogere gronden met wat minder goede structuur. Bij dit ras kunnen we twee types onderscheiden, het slanke type met een lange cilindrische wortel en het gewone type waarvan de wortel korter en iets kegelvormig van vorm is. Vooral geschikt voor de zomerteelt. Het ras Sytan, ook van dit type, is iets minder vatbaar voor wortelvlieg en is goed te bewaren.
- Juwarot of Juwarood: zomerwortel met een hoog caroteengehalte, aanbevolen voor het maken van wortelsap. De wortel is kegelvormig, halflang en glad.
- Parijse Ronde (of Parijse Broei of Parijse Markt of Parijse Vroege): zeer kort, bolrond worteltje, dat na 2 of 3 maanden al kan gegeten worden. Door zijn vorm is deze grote radijs geschikt voor alle gronden, ook zware en zeer ondiep bewortelbare bodems waarin lange wortels slecht gedijen. Fijne smaak.
- Chantenay (of Halflange van Chantenay): kan als een overgangstype van zomer- naar winterwortel beschouwd worden. De wortel is dik, halflang (12-15 cm) en puntig op het uiteinde.

Late rassen
- Flakkese (of Flakkeese) en selecties (bv. Flacoro, Flamir Flakko): dikke, productieve wortel met ruw oppervlak, die zich goed laat bewaren. Belangrijkste winterras.
- Berlikumer en selecties (bv. Bercoro, Berjo): fijnere winterwortel die minder goed bewaart maar met een betere smaak.
- De Colmar à Coeur Rouge: Franse bewaar¬wortel die ook in de vroege lente kan gezaaid worden.

Veldwortelen
- Saint-Valery: lange, grove voedzame oranjerode veldwortel.
- Lobbericher: grote, gele wortel met vaak een groene kop.
- Gele Stompe van Doubs: lange, gele, stomp¬puntige wortel die goed kan bewaard worden. Dankzij zijn zoete smaak kan hij ook gebruikt worden in de keuken.

Van de vier belangrijkste rassen (Amsterdamse Bak, Nantese, Flakkese en Berlikumer) zijn talloze verbeterde selecties op de markt. Meestal valt uit de naam van de selectie wel af te leiden over welk ras het eigenlijk gaat, of het staat in de catalogussen vermeld.
Late rassen zijn ook geschikt voor de zomerteelt. Op die manier kan je je beperken tot het uitzaaien van bv. Flakkese, zowel voor zomer- als late teelt. Van zodra de wortelen dik genoeg zijn, kan je beginnen te oogsten. Ze zijn niet minder smakelijk dan een echt vroeg ras. Wat overblijft, is voor de wintervoorraad.

3. Bodem

Alle wortelen hebben vooral een grond nodig die goed is van structuur (los, kruimelig) en die een goede vochtvoorziening heeft. Vroege wortelen doen het bovendien beter op lichte, humusrijke gronden. Die warmen namelijk sneller op. Winterwortelen houden van wat zwaardere grond. Gekweekt op lichte grond worden ze erg gemakkelijk door de wortelvlieg aangetast en bewaren ze ook minder goed. Op zware kleigronden vertonen ze dan weer meer de neiging tot scheuren.
Lange rechte wortelen krijg je alleen op diep (30 cm) losgemaakte grond. Op harde, niet genoeg bewerkte grond zijn ze kort of gevorkt. Als je met grelinette of spitvork werkt, moet je dus extra opletten dat je diep genoeg werkt. Om nog dieper te werken kan je 15-20 cm diep in voortjes spitten en de bodem van de voortjes telkens lostrekken met de spitvork. Doe dit werkje een tijd op voorhand zodat de grond voldoende kan herstellen. Zo niet, komt de vochtvoorziening in gevaar.

De wortel stelt speciale eisen aan de fijnheid van de bovenste 3-4 cm grond. Die moet vlak voor het zaaien zeer goed verkruimeld worden met een hark.
In zware klei worden de winterwortelen soms op ruggen gezaaid om wateroverlast en te koude grond tegen te gaan.

4. Bemesting

Wortelen vragen een neutrale voedzame grond zonder verse organische mest erin. De zuurheidsgraad is van groot belang. Een pH (KCl) van 6 is ideaal. Verse of slechts halfverteerde compost of stalmest trekt de wortelvlieg aan en doet de wortelen vertakken.

Er is niet veel stikstof nodig. Teveel stikstof stimuleert de bladontwikkeling ten koste van de wortel.
Bij een goed humusgehalte van de bodem is de stikstof die vrijkomt door de jaarlijkse humusafbraak meer dan voldoende. We zullen de wortelen dus geen compost geven.
Wortelen moeten voldoende kalium kunnen opnemen om goed te kleuren en te bewaren. De behoefte aan kalium is meer dan 2 keer groter dan de behoefte aan stikstof.
Daarom geven we ze, afhankelijk van de grondsoort, een matige tot sterke kalibemesting met houtasse, vinasse of patentkali.
Tenslotte zijn wortelen ook gevoelig voor magnesiumgebrek. Dat komt vooral voor op lichte gronden. Kies als er toch bekalkt moet worden, voor een magnesiumhoudende kalkmeststof. In het andere geval gebruik je serpentijn, lavameel of basaltmeel (zie hoofdstuk 4: Bemesting, p. 100).

5. Standplaats

Tussen twee wortelteelten moet in principe vier jaar blijven. Wortelen komen nooit na andere schermbloemigen.
Aardappel als voorvrucht geeft meer kans op wortelrot (het blauw, Rhizoctonia). Na vlinderbloemige groenbemesters zit er vaak meer stikstof in de grond dan goed is voor de wortelen. Grassen als groenbemesters zijn wel goed voor wortelen.
Om wortelvlieg te vermijden, worden wortelen traditioneel in combinatie gekweekt met ui, sjalot, look of bieslook omdat ze dezelfde mestbehoefte hebben en omwille van de betere benutting van de voedingsstoffen in de bodem doordat er afwisselend een diep en een oppervlakkig wortelend gewas is. Enkele ervaren tuiniers zweren bij de combinatie witloof - bewaarwortelen.

6. Zaaien

Wortelzaad kiemt traag. Gemiddeld komen de jonge plantjes pas na vier weken op. Daarom ook dat er zoveel eisen worden gesteld aan de voorbereiding van de grond: fijn gemaakt en niet te nat. Voorkiemen in zand is voor wortelen dan ook een toegepaste techniek.
Wortelen worden bijna altijd op rijen gezaaid. Vroege wortelen staan dichter bij elkaar dan late. In de platte bak wordt soms breedwerpig gezaaid. Algemeen gesproken is de zaaidiepte 0,5 cm. Op lichte grond mag het 1 cm worden, of dieper als de grond op die diepte nog poederdroog is.

Onkruidzaad kiemt veel vlugger dan wortelzaad. Zo komt het dat een met wortelen ingezaaid stukje vaak al groen ziet van het onkruid vóór er nog maar één wortelplantje te zien is. En begin dan maar eens te schoffelen of tussen de rijen te wieden. Steek daarom stokjes in de grond aan de uiteinden van de ingezaaide rij. Bij het schoffelen span je daar dan een koord aan en blijf je langs beide kanten met de hak of de schoffel enkele centimeters van de koord weg. Je kan ook een klein beetje zaad mee uitzaaien van snelkiemende groenten (sla of radijs). Die duiden dan al vlug de rij aan (markeringszaad) zodat je rustig kan schoffelen. Later trek je die plantjes uit.
De te gebruiken zaadhoeveelheid verschilt nogal naargelang de bron. Dichter zaaien geeft meer opbrengst en kortere, dunnere wortels. Ruimer zaaien geeft iets minder opbrengst en lange, dikke wortels.
Tijdens de kiemperiode moet de grond vochtig blijven. Desnoods kan je sproeien met een fijne broes.

7. Teeltzorgen

Vooral tijdens de jeugdgroei hebben de wortelen voldoende water nodig. Een droogteperiode in het voorjaar kan dus maken dat je de jonge plantjes moet gieten. Dat is belangrijk want een wortel groeit in twee richtingen. De groei naar beneden gaat gedurende de hele groeiperiode verder. De diktegroei (rijping) komt later op gang. Wanneer er nu tijdens de jeugdgroei voldoende vocht is, wordt de diktegroei nog wat uitgesteld. Daardoor krijgen we achteraf, wanneer door de hogere temperaturen de diktegroei toch aanvangt, een langere, zwaardere wortel. Onvoldoende vocht doet de groei stilvallen en geeft taaie, vezelachtige wortels.
Natte aarde is echter wel aantrekkelijk voor de wortel¬vlieg. Giet daarom alleen bij langdurige droogte.

Uitdunnen is niet ideaal omdat je door de bewegingen in het loof geuren losmaakt die de wortelvlieg aantrekken. Toch is uitdunnen bijna niet te vermijden, tenzij je erin slaagt juist zo dun te zaaien dat het niet meer hoeft. Dat is erg moeilijk en riskant, omdat je nooit op voorhand weet hoeveel percent van de zaden gaat opkomen. Normaal is dat ongeveer 80%. Maar in slechte omstandigheden kan dat ook 50% zijn, of 30% en dan is de stand veel te dun. Anderzijds heb je bij een te dichte stand veel kans op verstrengelde wortels. Daarom geven we toch enkele wenken om goed uit te dunnen:
- dun in één keer uit in een zo jong mogelijk stadium.
- druk de aarde na het dunnen toe.
- overal de dikke wortels uitzoeken om die al op te eten (geleidelijk of al oogstend uitdunnen) is met het oog op schade door de wortelvlieg af te raden.

Wieden verkeert in hetzelfde geval als uitdunnen. Je trekt er de wortelvlieg mee aan maar het moet nu eenmaal gebeuren. Begin er daarom ook weer zo vroeg mogelijk aan. In het begin kan dat nog met de schoffel of de hak.
Vanaf eind april, begin mei vervang je dat beter door wieden met de hand zodat de larven van de wortelvlieg het niet te gemakkelijk krijgen om in de grond te kruipen.

Wanneer de koppen van de wortelen boven de aarde uitsteken, worden ze groen. Het ene ras is daar gevoeliger voor dan het andere. Lichtjes aanaarden kan het euvel verhelpen. Dat werkt echter weer de aantrekking van de wortelvlieg in de hand.

8. Oogst

Wortelen oogsten is kinderspel: duw de riek in de aarde naast de wortelen, even oplichten en ze dan met de hand aan het loof uit de grond trekken.
Bij vroege wortelen laat je het loof eraan tot je ze opeet, bij bewaarwortelen draai je het eraf.
Vroege rassen begin je te oogsten van zodra de worteltjes dik genoeg zijn en verder naar behoefte. Laat ze ook niet te lang in de tuin staan: de groei stopt, ze splijten en de wortelvlieg vindt er dan een gemakkelijke prooi in. Winterwortelen oogst je zo laat mogelijk: ze worden altijd nog zwaarder en dikker. Maar vóór de grond bevriest, moeten ze wel binnen zijn. In de praktijk zal de oogst voor de wintervoorraad in de loop van november plaats vinden. Vóór die tijd oogst je alleen wat je onmiddellijk nodig hebt. Vermijd daarbij in het wortelveldje rond te ploeteren op zoek naar de dikste wortelen, maar begin aan één kant van een perceeltje en oogst van daar af gewoon alles.

9. Bewaring

Vroege wortelen kan je slechts korte tijd op een koele plaats bewaren. Winterwortelen daarentegen hebben heel goede bewaareigenschappen en dan vooral de Flakkese. Ze bewaren goed tot in juni. Algemene voorwaarden voor een geslaagde bewaring zijn een lage temperatuur die echter niet onder nul gaat, een hoge luchtvochtigheid tegen uitdrogen en voldoende ventilatie tegen schimmelvorming. De wortelen zelf moeten gezond en ongewassen zijn. Het loof draai je er af. Afsnijden met een mes kan ook. In april of mei zal de groeipunt geel blad vormen (doorschieten) wat de wortel in zekere mate uitput.
Het is ook altijd goed zo lang mogelijk te wachten alvorens de wortelen naar hun bewaarplaats te brengen, omdat de buitentemperatuur dan lager is, wat minder kans op broei geeft.

Inkuilen
Inkuilen is een uitstekende bewaarmethode voor winterwortelen. Met inkuilen wordt zowel het bewaren in een put, als op een hoop, als iets daartussenin bedoeld. De gewone kuil is de meest eenvoudige vorm: gewoon een ondiepe put graven, stro erin, daarop wortelen, weer een laagje stro en een 10-tal cm aarde erover.

Op gronden met een tamelijk hoge grondwaterstand in de winter, leg je de wortelen half in, half boven de grond. Je graaft een smalle, ondiepe (20 cm) put, legt wat stro op de bodem en legt de wortelen erin. Je maakt zo een hoop van maximum 1 m hoog. Die dek je af met een dun laagje aarde en wat stro. Als er vorst in aantocht is, moet je er nog een dikke laag stro en plastic bovenop leggen tot je in totaal aan een laag van 30-40 cm komt. Bij invallende dooi moet die plastic er dan weer af om verstikking tegen te gaan. Of er nu tussen de opgestapelde wortels ook zand of aarde moet komen, is een eeuwig discussiepunt. Traditioneel wordt aangeraden vochtig zand of aarde tussen de lagen wortels te strooien. Voorbeelden uit de praktijk duiden erop dat dit in sommige gevallen niet nodig is.

Op gronden met een zeer hoge grondwaterstand, kan je de wortelen op een hoop bovenop de grond bewaren. Je dekt hem af met stro en plastic. Denk aan de nodige verluchting.
Wortelen kunnen ook in een platte bak ingekuild worden, als je die maar voldoende tegen de vorst beschermt. De wortelen moeten dan tegen februari maart wel allemaal op zijn, want dan wordt het in de bak te warm en kan je hem beter voor andere doeleinden gebruiken.

Inkisten
Een andere, uitstekende, methode om winterwortelen te bewaren – tot einde mei – is in een kist. Sorteer de wortels, breng een laag van 5 cm vochtig zand in de kist, dan een laag wortelen, een laag zand, weer een laag wortelen enz. tot de kist gevuld is of de voorraad wortelen ingewerkt. In een kist van 1 m lang, 60-70 cm hoog, kan je zo 50 tot 65 kilo wortelen bewaren. Wortelen die gespleten, afgebroken, gevlekt of beschadigd zijn, moeten natuurlijk boven in de kist bewaard en eerst verbruikt worden. Zet de kist niet in een warme plaats, het best is een stal of kelder. Bescherm tegen strenge vorst met jute of karton. Eens de strenge koude geweken is, neem je de extra afdekking weg om goed te verluchten.

Ter plaatse
Op een grond die in de winter niet te nat wordt, kan je wortelen ter plaatse bewaren, als je ze voldoende met stro afdekt (ondergooiers of onderdekkers). De liefhebber kan dit doen met winterwortelen.
De wortelen blijven dus in de grond zitten. Het loof wordt eraf gesneden of gedraaid en het perceel wordt afgedekt met 350 tot 400 kg stro per are. Bij vorst komt leg je er plastic op, plus nog eens 150 tot 200 kg stro. Zo kan er voortdurend geoogst worden tot in het voorjaar. Muizen en veldmuizen kunnen wel heel wat schade aanrichten.

10. Zaadteelt

Wortelen zijn kruisbestuivers. Ze worden door insecten bestoven. Ze kruisen met wilde peen, en ook met andere rassen. Raszuiver zaad bekom je alleen met zekerheid door op 500 m afstand van andere wortelen te kweken.
Van de uitgekozen wortelen kort je het loof af op 3 cm, zodat het hart of groeipunt zeker niet beschadigd wordt. Bewaar ze vorstvrij in vochtig zand, in de kuil of in een kist. Begin maart plant je de wortels weer uit op 50-60 cm van elkaar. Begiet flink.
De planten worden tot 1 m hoog en hebben steun nodig. De kleinste zijschermen neem je het best weg. In september worden de vruchten rijp en krijgen een bruine kleur. De schermen rijpen niet gelijktijdig en moeten dus afzonderlijk geoogst worden. Droog ze eerst minstens 2 tot 3 weken na. Ze zijn droog genoeg als de omgebogen stengel breekt. Dan kan je de schermen in je handen fijnwrijven en de zaden sorteren. De baarden die aan de zaden zitten worden door de zaadfirma’s machinaal afgewreven. Je kan dat met de hand doen maar eigenlijk is het niet nodig.
 

Uit: Handboek Ecologisch Tuinieren, Velt

Eigenschappen

Hoogte
1 - 30 cm
Kleur
  •   
  •   
Winterhard
Ja
Matig
PH
Kalkrijk
Vochtigheid
Normaal
Licht
Zon
Evergreen
Bladverliezend

 

2 varieteiten van deze plant

In de webshop