Wil ook jij specifieke informatie ontvangen over jouw tuin?

Heb je reeds een MijnTuin.org account? Aanmelden

Witloof (algemeen)

Cichorium intybus  • 

Foto: Witloof (algemeen)

Foto: Witloof (algemeen)
Foto: Witloof (algemeen)
Foto: Witloof (algemeen)

Plantkundig gezien is witloof of Brussels lof juist dezelfde plant als cichorei of suikerij. Uit cichoreiwortels wordt een oud koffiesurrogaat gemaakt.
Maar de teelt van witloof is nog niet zo oud. Ze zou eerder toevallig rond de helft van de vorige eeuw ontstaan zijn in Brabant. Een landbouwer die cichorei verbouwde als veevoeder, zou een aantal wortels in de kelder opgeslagen hebben en tegen de vorst beschermd met wat aarde. Na enkele weken kwamen er blaadjes aan de wortels die bij gebrek aan licht, wit waren.
Aanvankelijk ging het om een losse krop, die ook Kapucijnerbaard genoemd werd en nu ook nog door liefhebbers geteeld wordt. Door selectie kwam men al vlug tot de vaste, gesloten krop die we nu kennen.
De krop bestaat uit opnieuw uitgeschoten bladeren en wordt rauw of bereid gegeten. De bittere smaak is afkomstig van de typische bitterstoffen die ook in het witte melksap van de wortel aanwezig zijn. Met dat witte melksap verraadt het witloof ook haar familie: de composietenfamilie. Denk maar aan sla, andijvie, of aan de paardebloem.

1. Teeltwijzen

Witloof is een tweejarig gewas dat na een koudeperiode tot bloei overgaat.
De teelt gebeurt in twee delen. In de eerste fase worden lange, dunne, vlezige wortels gevormd. Die worden uitgestoken, het rooien, en de bladeren worden afgesneden. De tweede fase is het trekken. De wortels worden opnieuw geplant, maar dan heel dicht bij elkaar, en bedekt met een laagje grond. Dat opnieuw uitzetten, noemen we intafelen, of ook wel inkuilen. In de beroepsteelt gebeurt dat op een verwarmde plaats. In dat geval spreken we van forceren en forcerie.

Nog niet zo lang geleden zijn nieuwe witloofvariëteiten ontwikkeld die een witte krop geven zonder dat er aarde op hoeft te liggen. Dat zijn de variëteiten voor trek zonder dekgrond, die altijd binnen geteeld worden.
De moderne beroepsteelt levert via allerlei kunstgrepen het hele jaar door vers witloof. De wijze waarop al dat witloof gekweekt wordt, verschilt sterk naargelang de tijd van het jaar waarin gerooid, getrokken, geoogst en verkocht zal worden. Er is bijgevolg een hele reeks termen ontstaan: zeer vroeg, vroeg, halfvroeg, gewoon, half laat, laat, zeer laat.
Voor de liefhebber is dat allemaal van veel minder belang omdat hij niet de middelen heeft om de teelt drastisch te vervroegen of te verlaten.
Daarom stellen we een eenvoudige indeling voor, volgens de manieren van trekken die voor de liefhebber geschikt zijn.

Koude trek in vollegrond
Bij deze meest gewone teeltwijze gebruik je eigenlijk geen enkel hulpmiddel. In mei zaai je ter plaatse om te rooien en buiten in te kuilen in de tweede helft van oktober en in november. Wie de wortels vorstvrij kan opslaan, kan in december nog een gedeelte intafelen. De oogst valt in april en mei afhankelijk van het weer. Je kan iets vervroegen door de kuil af te dekken met een laagje plastic.
De kwaliteit van op deze manier gekweekte kroppen is heel wat lager omdat ze niet zo mooi gevormd en gesloten zijn als warm getrokken wortels. De smaak is echter zeker zo goed en opvallend minder bitter.

Trek onder koud glas
Zaaien doe je in mei, inkuilen in de platte bak of in de serre. Afhankelijk van het weer kan je oogsten vanaf begin februari.

Warme trek zonder dekgrond
Door de introductie van rassen die zonder dekgrond maar wel in het donker kunnen getrokken worden, zijn de mogelijkheden voor de liefhebber flink toegenomen. Hiervoor moet je een variëteit gebruiken die geschikt is voor de teelt zonder dekgrond. Zaaien en rooien blijft hetzelfde. Intafelen gebeurt echter in diepe bakken in het donker en op een relatief warme plaats zoals kelder of garage. Oogst na 4 tot 5 weken, vanaf half november.

2. Rassen

Vroeger, en soms nu nog, zaaiden vele witlooftelers hun eigen selecties, aangepast aan hun bodem en aan de teeltmethode die hen het best lag. Nu brengen de zaadbedrijven een groot aantal selecties of rassen op de markt.

Bij de rassen kunnen we twee types onderscheiden:
- het Mechelse type met korte, buikige, vaste gesloten kroppen en een flinke pit.
- het Hollandse type dat langer en slanker van vorm is, minder vast in de punt, kleinere pit en vaak wat zoeter van smaak.

Er zijn rassen die enkel geschikt zijn voor trek met dekgrond, andere enkel voor trek zonder dekgrond en nog andere voor beide. Tot deze laatste reeks horen de nieuwste generatie F1-hybriden, waarvan er de laatste jaren meerdere ter beschikking voor de liefhebber komen (bv. Focus F1, Bea F1). Verder onderscheiden we binnen beide types vroege, middelvroege en late rassen. De vroege worden gezaaid begin mei en gerooid in oktober, late rassen worden gezaaid eind mei en gerooid in november.

Veel gebruikte rassen:
• voor trek met dekgrond:
vroeg: Mechelse Vroege, Alba, Zoom F1, Focus F1, Bea F1.
middelvroeg: Hollandse Middelvroeg, Mechelse Middelvroeg, Edellof, Productiva, Trilof, Daliva F1.
Iaat: Meilof, Producent.
• voor trek zonder dekgrond:
vroeg: Mitiva, Zoom F1, Focus F1, Bea F1, Toner F1, Flash F1.
middelvroeg:, Videna, Terosa, Mitado, Daliva F1.
Iaat: Carolus, Faro F1, Rinof F1.

3. Bodem

Witloof kan op alle gronden groeien. De beste resultaten krijg je op zandleemgronden, die tot op grote diepte bewortelbaar zijn en in de zomer niet al te fel uitdrogen. Een goede structuur is erg gewenst.

Niet geschikt zijn;
- een zware kleigrond (slechte opkomst, vertakte wortels, grote ziektegevoeligheid);
- een pH(KCl) lager of gelijk aan 4,0;
- verdichte lagen of hoge grondwaterstand (slechte wortels): dit kan je wel opvangen door de wortels op ruggen te telen.
De grond moet los zijn tot op voldoende diepte (minimum 30 cm) zodat zich lange, rechte wortels kunnen ontwikkelen. Daarom zal je de bodem voor het zaaien diep losmaken. In zwaardere grond heb je voor de winter eventueel al een bodembewerking uitgevoerd.

4. Bemesting

Witloofwortels doen het goed op eerder zure gronden. Een trage groei van de wortel is gewenst, om later een vaste krop te leveren. Witloofwortels groeien het best op een grond die geen compost gekregen heeft. Want ook compost levert heel wat stikstof, al is het dan traag. De stikstof die met de humusafbraak vrijkomt, kan op gronden met een goed humusgehalte volstaan. De reden voor die grote voorzichtigheid is dat witloof op stikstofrijke grond te veel blad, te weinig wortel en meer vertakte wortels vormt en dat de kroppen achteraf heel los zijn en vlugger rotten.

In ieder geval kunnen we dus voor de wortelteelt een extra bemesting rustig achterwege laten, ook al omdat de andere elementen zelden een probleem vormen. Fosfor is genoeg aanwezig in de grond. Witloof neemt erg vlot kalium op zodat het zelfs op een kali-arme grond nog voldoende uit de grond kan halen. In tegenstelling tot de meeste andere wortelgewassen vragen ze dus geen kalibemesting. Op lichte gronden kan een magnesiumgebrek echter wel kwalijke gevolgen hebben. Als de zuurheidsgraad aan de lage kant is, kan je daaraan verhelpen door een bemesting met dolomietkalk, maar dan wel een jaar op voorhand.

5. Standplaats

Witloof wordt bij de wortelgewassen gerekend in het teeltplan omdat ze dezelfde voedingsstoffenbehoeften hebben als de andere wortelgewassen. Witloofwortels worden bij voorkeur slechts om de vier tot vijf jaar op dezelfde grond gekweekt, omdat het aangetast wordt door enkele ziekten die in de grond achterblijven, vooral Sclerotinia en andere schimmels.
Ook gewassen die door dezelfde ziekten kunnen aangetast worden, zijn geen goede voorvruchten: augurk, andijvie, rode biet, pastinaak, sla, wortel en pompoen. Gewassen die extra bemest worden of veel stikstof in de grond nalaten, zijn ook niet geschikt: aardappelen, kolen. Gewassen die om beide redenen geweerd moeten worden, zijn spinazie, boon, erwt en knolselder. Witloof gaat wel goed na granen (in de beroepsteelt), na prei en aardbei (in de moestuin).

6. Zaaien

Bijna alle witloof zaai je in mei ter plaatse. In de eerste helft van juni kan het ook nog maar neem dan wel een late variëteit.
De grond moet goed fijngemaakt zijn en voldoende opgedroogd. Te droge grond geeft wel al vlug een ongelijkmatige opkomst.
De meest gebruikte rijafstand is 30 cm. Eén zaadje om de 2 of 3 cm is voldoende want later zal er uitgedund worden tot op 10 tot 14 cm. De zaaidiepte is 1 tot 2 cm.

Op te natte grond kan je ook op ruggen telen. Maak de ruggen ongeveer 25 cm hoog met een platte bovenkant van 10 cm breed. Laat 50 cm tussen de rijen. Zaai in de rij op 8-10 cm. Maak de ruggen een tijdje op voorhand zodat de grond al kan opdrogen en opwarmen. Dat scheelt in de opkomst van het zaad. Voor lichtere gronden is deze methode niet geschikt omdat de ruggen te snel zouden uitdrogen.

7. Voorkweken

Sommige tuiniers zaaien witloofplantjes op een zaaibed (1 g/m2 in rijtjes op 12-15 cm van elkaar). Na 6 tot 7 weken planten ze uit op de gewone afstand. Bij het verplanten worden de jonge wortels onvermijdelijk beschadigd. Vlak na het verplanten ondervinden ze dan grote moeilijkheden om aan voldoende water te komen. Het afsnijden van de bladeren tot op 1/3 van de lengte, is dan ook noodzakelijk om de verdamping te beperken.
Verplante witloofwortels vertakken veel meer. Voor de amateur die ze buiten in de witloofkuil trekt, vormt dat geen bezwaar want plantwitloof kan zeker mooie kroppen geven.

8. Teeltzorgen

Vier tot zes weken na het zaaien, moet je uitdunnen. Als de plantjes al 4 of 5 blaadjes hebben, wacht dan zeker niet langer. Je dunt het best uit tot op 12 cm afstand, met een speling van 1-2 cm. Het uitdunsel is prima kippenvoer.
Sommige tuiniers planten het uitdunsel ergens anders weer uit. Die moeten dan wel een drietal weken langer wachten met uitdunnen. Te jonge witloofplantjes laten zich moeilijk verplanten.

Onkruidbestrijding onder vorm van een hakbeurt is alleen in het begin van de teelt van belang. Later zorgt het vele blad zelf grotendeels voor het onderdrukken van nieuwe onkruidplantjes. Na de oogst van de wortels, hou je normaal gezien proper land over.

9. Rooien

Rooien is het oogsten van de wortels. Om later goede vaste kroppen te krijgen, moeten de wortels volgroeid of rijp zijn. Die rijping gebeurt normaal gezien tegen half oktober. Naargelang het weer en het ras kan dit vroeger of later gebeuren. Met witloof zonder dekgrond kan men al vroeger beginnen te rooien. Algemeen wordt aangeraden om eind november de laatste wortels te rooien en dit om de stevige vorst te vermijden.
Het rooien gebeurt door de wortels los te steken met spade of spitriek. Daarna leg je de wortels met blad en al een vijftal dagen op de grond. Tijdens die rustdagen trekken nog reservestoffen van de bladeren naar de wortels. Dit laten narijpen van de wortels is zeker van belang bij de vroege rassen. Bij de andere rassen kan het rooien, afsnijden van het blad en intafelen eventueel direct achter elkaar gebeuren.

Om de wortels tegen uitdrogen en natregenen te beschermen, leg je de rijen zo dat het loof van de ene rij, de wortels van de andere rij afdekt. Tegen aanhoudende regen en tegen vorst volstaat deze bescherming niet. Je kan ze dan nog afdekken met plastic, maar als het slecht weer enigszins te voorzien is, kan je ze beter vooraf intafelen.

10. Afsnijden van het blad

Na de rustperiode snij je de bladeren van de wortels af. Daarbij laat je zoveel blad staan dat het later opnieuw kan uitschieten en de witloofkrop vormen.

Met een scherp mes snij je het loof ongeveer 2 cm boven de wortel af.

In plaats van de meetlat er naast te leggen, kan je de wortel in de hand nemen, de wijsvinger rond de basis van de bladeren leggen en met het mes in de andere hand de bladeren recht afsnijden. Het belangrijkste is dat je het hart van de bladeren niet afsnijdt. Dat is de groeipunt waaruit de nieuwe bladeren zich zullen ontwikkelen. Het is te zien als een donkergroene stip, in het midden van de afgesneden bladeren. Als je de bladeren te kort afsnijdt, zie je geen stip meer. Er vormt zich geen krop maar alleen losse scheutjes. Te lang afsnijden geeft dan weer lossere kroppen.
Daaruit volgt ook een beetje dat die 2 cm slechts een gemiddelde afsnijlengte is die meestal veilig kan aangehouden worden. Dunne wortels kan je lager afsnijden – het groeipunt zit lager– terwijl je erg dikke wortels beter wat hoger (maximum 3 cm) afsnijdt omdat het groeipunt hoger zit.

Konijnen houden van het afgesneden blad (voor het uitgedroogd is). Het kan ook als bodembedekking dienst doen of in de composthoop verdwijnen.
Wortels waarvan het loof afgesneden is, kan je tijdelijk op een hoop bewaren, in een schuur of op een andere droge, luchtige plaats. De ideale temperatuur is 0 tot 3°C. Laat de wortels in geen geval nat regenen en zorg voor voldoende verluchting. Op die manier kan je de wortels in afwachting van het intafelen 4 tot 6 weken bewaren.

11. Bijwerken van de wortels

Hoewel het niet strikt noodzakelijk is, worden de dunne zijwortels die zich soms ontwikkelen, meestal afgebroken of afgesneden. Dat vergemakkelijkt het netjes naast elkaar intafelen van de wortels. Ook het lange, smalle uiteinde van de wortel kan je daarom beter afsnijden.
Als de wortel gesplitst is in 2 min of meer gelijkwaardige delen, kan je hem zonder bezwaar zo intafelen.

Vaak worden de wortels zelf allemaal op dezelfde lengte (bv. 18 cm) afgesneden. Ook dat maakt het bij het intafelen gemakkelijker om alle wortels bovenaan gelijk te laten komen. Nochtans zijn zeker de grote snijwonden ingangspoorten voor bacteriën en kan de liefhebber de lange wortels beter wat dieper zetten en de korte wat minder diep.

12. Intafelen met dekgrond

Opdat de wortel opnieuw zou kunnen groeien en krop vormen, moet hij nieuwe fijne worteltjes (wortelhaartjes) vormen. Hoe meer wortelhaartjes, hoe meer water de wortel kan opnemen en hoe zwaarder de krop kan worden.
Water is eens te meer van het allergrootste belang. Maar zonder lucht kan het ook niet. Daarom ga je de witloofkuil maken op een plekje grond met goede structuur en dus goede verhoudingen tussen water en lucht. Het is overigens niet aangewezen elk jaar dezelfde plek te nemen want dan verhoogt het risico op schimmelziekten.

De kuil moet 20 tot 30 cm diep zijn zodat de bovenkant van de wortels ongeveer gelijk komen met het grondoppervlak. De breedte neem je zoals je zelf gemakkelijk vindt (bv. 50 cm). Eens hij met de spade uitgegraven is, ga je de bodem met de spitriek goed lossteken en verkruimelen. Op die manier komt er voldoende lucht in de ondergrond. Dat is nodig voor de vezelworteltjes die tot 1 m diep kunnen gaan. Eventueel kan je er tegelijk wat verteerde compost doorwerken. Wat kalk toevoegen is ook gewenst omdat de teelt van de krop een hogere pH (7-7,5) vraagt. Beter nog is de bekalking al in het voorjaar uit te voeren. Kalk zou tegelijk een preventieve werking tegen schimmels hebben.

Volgens sommige tuiniers houden pepermuntblaadjes de muizen op afstand.

Plaats de wortels lichtjes schuin, vlak tegen elkaar in de put. Je kan ze sorteren naargelang hun dikte en hun lengte. Dunnere wortels maken vlugger een (kleinere) krop, dikkere wortels zijn later maar maken grotere kroppen. Vertakte wortels zijn wat onhandig om in te tafelen maar geven mooie kroppen. Zij hebben immers nog meer haarwortels op hun schors dan mooie rechte!
Sorteren naar lengte geeft je de mogelijkheid de bodem van de kuil plaatselijk wat te verhogen of te verlagen, zodat aan de bovenkant alle snijvlakken mooi op dezelfde hoogte komen en als het ware een tafel vormen.
De wortelhals komt ± 2 cm onder het grondoppervlak.

Als alle wortels erin zitten, strooi je er een laagje verkruimelde aarde van ± 2cm bovenop. Grond van molshopen is hiervoor dankbaar materiaal. Die grond ga je zo begieten dat hij tussen de wortels spoelt. Dat is van belang voor de ontwikkeling en de werking van de haarwortels. Je gebruikt 10 tot 30 liter per m2, afhankelijk van de vochtigheidsgraad van de aarde. Als de wortels wat onregelmatig van vorm zijn, strooi je er een nieuw laagje grond over en begiet je opnieuw, zodat tussen de wortels in overal aarde gespoeld wordt. Als de grond droog is, mag je nog heel wat meer gieten want voor de groei van het loof is heel wat water nodig.

Het geheel dek je af met een laag aarde. De aarde zorgt voor isolatie en duisternis. Hij moet zeer goed verkruimeld zijn. Organische stof (humus, compost) zit er het best zo weinig mogelijk in want dat geeft meer rotte blaadjes of zelfs rotte kroppen. Lichte grond is beter geschikt dan zware. Door de dikte van de laag dekgrond boven de wortels te laten variëren kunnen we de vroegheid van het loof wat sturen. Voor zeer vroeg witloof wordt meestal een dunne deklaag gebruikt (5-10 cm), voor halflaat of normaal witloof een normale deklaag (15-20 cm). Voor zeer laat witloof gebruikt men een nog dikkere laag (tot 40 cm) met als doel de voorjaarswarmte langer van de wortels verwijderd te houden. Zodra het witloof gaat groeien wordt de deklaag echter tot de normale dikte teruggebracht.
Vervolgens komt er als extra isolatie een laag stro bovenop. Ook hooi of bladeren kan je daarvoor gebruiken. Of je kan ook de laag grond 5 tot 10 cm dikker maken. Tenslotte dek je de hoop het best af met golfplaat of plastic. In de handel vind je ook ondoorschijnende accordeontunnels om over de ingetafelde wortels heen te zetten. Ze worden aangeboden op verschillende afmetingen: 1, 3 of 5 m lang op 60 cm breed.

Inkuilen in de koude bak, in de serre of onder plastic, gaat precies op dezelfde wijze. Alleen de bovenste afdeklaag (het stro en de golfplaat) wordt weggelaten. De oogst is enkele weken vroeger te verwachten.
Een iets minder arbeidsintensieve variant op vorige methode is het inkuilen in gleuven. Hierbij maak je met een spade een ongeveer 20 cm diepe gleuf waarin je de ene wortel tegen de andere plaatst. Wanneer de gleuf volledig opgevuld is, maak je een volgende gleuf, evenwijdig met de eerste, zo dicht mogelijk tegen de vorige. Hierdoor druk je de grond in de vorige gleuf lichtjes aan, en kan je een tweede rij wortels inkuilen. Zo ga je verder tot al je wortels ingekuild zijn.

13. Intafelen zonder dekgrond

Voor de trek zonder dekgrond zijn er vele mogelijkheden: in kisten, emmers of potten. In de handel vind je hiervoor ook speciaal gefabriceerde witloofforceercontainers. De wortels zet je naast elkaar op een laagje grond of turf in de bak. Als de kist vol is, leg je er grond tussen en begiet je het geheel. Zet alles in het donker en hou het vochtig door een stukje folie los over de bak te leggen. Laat de bak enkele dagen koel laten staan zodat zich voldoende haarwortels kunnen vormen. Bij een temperatuur van 16 of 17°C, met een minimum van 13°C en een maximum van 20°C (bv. binnenshuis), kan je na 3 tot 5 weken oogsten. De ideale temperatuur varieert van selectie tot selectie en vind je meestal terug bij de rasbeschrijving in de catalogussen.

14. Zorgen tijdens de trek

Normaal gezien hoef je alleen maar te wachten tot de kroppen klaar zijn. Is het echter erg droog en heb je niet voldoende gegoten, dan kan het nodig zijn tijdens de trek nog extra water bij te geven. Bij trek zonder dekgrond, doe je dit het best via het verticaal aangebrachte buisje. Zo geef je de wortels langs onder water. Bij begieten langs boven verhoogt het gevaar voor rotting in de krop.

Wanneer de witloofkroppen die met dekgrond ingetafeld zijn door de aarde en het stro groeien, worden ze groen. Je kan er dan nog wat stro of aarde overheen strooien. Je kan er ook een jutezak over leggen.

15. Vervroegen met mest

Door verwarming van de grond onder de ingetafelde wortels, wordt de oogst van de kroppen sterk vervroegd. Meer en meer technische hulpmiddelen staan daarvoor ter beschikking van de beroepstuinder.

Hier gaan we alleen in op iets dat misschien nog wel in het bereik van de amateurtuinier ligt: de witlooftrek op broeimest. Dit is warmte afgegeven door mest. Paardenmest komt hiervoor bij uitstek in aanmerking, omdat het veel warmte afgeeft. Schapen- en geitenmest voldoen eventueel ook nog, maar rundermest levert weinig, en varkensmest geen warmte.

De mest wordt met wat bladeren vermengd en op een hoop gezet. Zoals verwacht ontstaat hier na een paar dagen een hevige broei! Na 2 dagen breng je die vermengde mest als broeilaag op de bodem van de kuil of de groeve aan, ter dikte van ± 40 cm. Daarboven strooi je een laag aarde (± 5 cm) waarna je de wortels intafelt. Voor de rest ga je op dezelfde wijze te werk: met aarde bedekken, sproeien, stro en plastic aanbrengen. Na amper enkele dagen zal door die laag een zachte regelmatige warmte worden afgegeven, waarbij de ideale temperatuur tussen 15 en 18°C ligt. Deze temperatuur controleer je regelmatig met een grond¬thermometer die, van een puntige koperen buis voorzien, gemakkelijk in de grond wordt gestoken. Indien je vaststelt dat de temperatuur te hoog is opgelopen verwijder je tijdelijk stro en plastic. Na drie weken mag je op die manier een loofoogst verwachten van degelijke kwaliteit.
Voor deze trekwijze neem je wel het best een vroeg ras.

16. Oogst van de kroppen

Het oogsttijdstip is erg afhankelijk van het weer. Als de kropjes groot genoeg zijn om te eten, kan je er al eens van oogsten. Het zwaartepunt van de oogst valt tegen de tijd dat de kroppen volledig ontwikkeld zijn. Te laat geoogste kroppen zijn langgerekt en los.
Om te oogsten maak je de kuil open en licht je er enkele wortels uit. Je houdt de wortel met één hand vast en met de andere hand breek je de krop eraf. De wortels worden nog graag door de konijnen gegeten. Let er op wortels en kroppen altijd met dezelfde hand beet te pakken zodat je het loof niet vuil maakt. Als dat toch gebeurt, verwijder je het best de buitenste bladeren van de krop. Je kan ze ook wassen in lauw water (±10°C) maar let er wel op dat je de krop zo weinig mogelijk kneust. Veeg niet want dan krijg je rode plekken en laat goed opdrogen. Vergeet niet de kuil weer behoorlijk af te dekken!

17. Bewaring

Witloofkroppen kleuren al snel bruin. Het begint onderaan. Dat wordt iets vertraagd door ze koel (bv. verpakt in de ijskast) en in het donker te bewaren. Kroppen zonder dekgrond geteeld kan je tot 3 weken lang in de ijskast of kelder bewaren omdat er geen grond aanhangt en ze niet gewassen worden.

Voor de ecologische tuinier is witloof beslist alleen een groente om ten vroegste in november en ten laatste in mei te winnen.
Je kan meer dan de helft van het jaar vers witloof te hebben:
• door verschillende rassen te zetten;
• door het rooien en intafelen wat te spreiden;
• door zowel zonder als met dekgrond in te tafelen;
• door de ingetafelde wortels zonder dekgrond op verschillende tijdstippen in de warmte te brengen;
• door geleidelijk aan te oogsten.

18. Zaadteelt

Om witloofzaad te winnen, tafel je schone, gave wortels in. Na de koude trek kies je een of meerdere planten met een mooie, gesloten krop. Die plant je einde maart met krop en al uit in goed bewerkte, vruchtbare grond. De opschietende stengel moet al gauw met een stok gesteund worden.
Eerst bloeien de onderste witloofbloempjes, later de bovenste. De topbloemen worden weggenomen omdat die zaden nog niet rijp zijn als de onderste zaden al afgerijpt zijn en los zitten. Door het toppen voorkomt men verspilling van voedingsstoffen die nu ten goede komen aan de zich vormende zaden.
Beschermen tegen vogels met een fijn net of gaasdoek is nodig. Met een gaasdoek zorg je er tegelijkertijd voor dat de loszittende zaden niet op de grond vallen. De oogst valt in augustus. Bewaring van het zaad in het kaf tot vlak voor het zaaien geeft goede resultaten.

19. Ziekten

Witloofwortels die in goede omstandigheden kunnen opgroeien, zullen niet zo gauw ziek worden. Voor het telen van de krop ligt het wel anders. De trek is namelijk een eerder kunstmatige bedoening waarbij de kans op schimmelziekten erg groot is. Daarom moeten we er proberen voor te zorgen alleen gezonde wortels in te tafelen.

19.1. Schimmelaantasingen

Slijmrot (Sclerotinia sclerotiorum)
In de praktijk is slijmrot de belangrijkste en meest gevreesde schimmelziekte voor witloof.
Bij aantasting ontwikkelt zich schimmelweefsel op de wortels. Het weefsel scheidt een stof af die dode, lichtbruine plekken op de wortel veroorzaakt. Langs die plekken dringt de schimmel dan binnen. Uit de aangetaste wortels groeit schimmelweefsel naar andere wortels. De schimmel groeit des te harder als er meer vocht en warmte aanwezig is. Natte zomers en zachte winters werken het optreden van slijmrot dus fel in de hand. Wordt een aangetaste wortel aan de lucht blootgesteld, dan ontwikkelt er zich wit schimmelweefsel waarin zich sporen vormen. Deze sporen, sclerotiën, overleven in de grond en kunnen ontstaan geven aan nieuw schimmelweefsel. Aangetaste wortels rotten weg tijdens de trek. Meestal komt de aantasting pas goed tot uiting na het intafelen. De wortels en de kroppen rotten dan erg snel (vandaar ook de andere naam kuilrot). Soms kan je het al merken bij het oogsten van de wortels door zachte, bruine rottende plekken, vooral op de kop van de wortel.

De sclerotiën (sporen) overleven vele jaren in de grond en zijn, zelfs chemisch, moeilijk te bestrijden. Momenteel onderzoekt de Landbouwfaculteit van Wageningen (Nederland) de biologische bestrijding van slijmrot bij witloof. In de natuur wordt op de sporen van Sclerotinia soms een parasitaire schimmel aangetroffen, Coniothyrium minitans. Deze antagonist parasiteert Sclerotinium-schimmels waardoor het mycelium en de sporen van Sclerotinium, althans bij temperaturen hoger dan 10°C, gedood worden. Onderzoek toonde aan dat het bespuiten van een ziek gewas met sporen van deze antagonist leidde tot een redelijke tot zeer goede doding van de aanwezige Sclerotinium-schimmel. Een interessante piste waar mogelijk in de toekomst ook voor de liefhebber interessante gegevens uit komen. Op dit moment moet alles er echter op gericht zijn om de aantasting te voorkomen.

Violet wortelrot (Rhizoctonia crocorum of
Helicobasisium purpureum)
Pleksgewijs vergelen en verwelken hele planten. Wanneer je ze uittrekt, merk je dat de grond vast aan de wortels gekleefd zit en dat er donker violet schimmelvilt opzit. Later rot de wortel weg (droogrot). Deze schimmel komt vooral voor op natte bodems. Mogelijk is kweek een waardplant want in de praktijk valt het op dat deze schimmel het eerst voorkomt daar waar er kweek staat.

Andere schimmelaantastingen
Deze komen in mindere mate voor. Specifieke maatregelen tegen deze schimmels zijn niet gekend. Je past het best de algemene preventieve regels toe.
- Verticillium dahliae (verwelkingsziekte)
- Erysiphe cruciferarum (meeldauw)
- Botrytis cinerea
- Phoma exigua
- Rhizoctonia solani
- Phytophtora erythroseptica
- Phytophtora cryptogea

19.2. Bacteriën

Verschillende soorten bacteriën kunnen witloof aantasten. De meest voorkomende zijn Pseudomonas en Erwinia soorten.

Bladvuur (Pseudomonas marginalis en
Pseudomonas cichorii)
Deze bacteriën veroorzaken bruinzwarte bladranden, vaak bij jonge bladeren, die later verdrogen. Een hoog N-gehalte bevordert het optreden van bladvuur. Bij vrij hoge temperaturen en onder vochtige omstandigheden kan deze bacterie zich sterk verspreiden. Een te dichte stand waarbij het gewas langer nat blijft, werkt dit in de hand. De verdroogde bladranden vormen een invalspoort voor andere organismen die op het veld al natrot van de wortel veroorzaken. Bij de oogst van de wortels is dikwijls in de kop een krans zwartverkleurde, rotte bladeren waar te nemen.

Natrot
(Pseudomonas marginalis en Erwinia carotovora)
Tijdens de trek kunnen deze bacteriën rotting veroorzaken. Op de buitenste blaadjes van de krop ontstaan eerst zachte, bruine rotte plekken. De kroppen en de wortelkoppen worden verder aangetast en in enkele dagen kan je een stinkend rotte boel krijgen.
Uit onderzoek is gebleken dat bij een hoger N-gehalte in de wortel de kans op natrot sterk toeneemt.

Preventie
Preventieve maatregelen tegen schimmel- en bacterieaantastingen bij witloof:
- Pas vruchtafwisseling toe: geen witloof na andere gewassen die vatbaar zijn voor deze schimmels (o.a. andijvie, erwten, sla, bieten, bonen, klaver, knolselder, wortelen).
- Zorg voor een goede bodemstructuur.
- Vermijd stikstofovermaat: voer geen bemesting uit op gronden met een goed humusgehalte en niet na groenten waarna er nog veel stikstof in de bodem achterblijft (kolen, aardappelen, spinazie, erwten, bonen, knolselder).
- Zorg voor ontwatering van de grond, zowel voor wortelteelt als trek.
- Respecteer plantafstanden bij de wortelteelt.
- Gebruik eventueel schimmelafwerende en plantenversterkende en middelen tijdens de teelt van de wortel, bv. zeewierextract en heermoes.
- Rooi de wortels onder droge omstandigheden.
- Tafel verdacht uitziende wortels niet of apart in.

19.3. Witloofmineervliegen

(Napomyza cichorii en Ophiomyia pinguis)
De larven van deze vliegen vreten gangetjes in de bladeren. In de kroppen zien we rode gangen, die later bruin verkleuren en aanleiding kunnen geven tot verdere rotting. Schade in de amateurteelt is van weinig betekenis.

19.4. Andere insecten

Bladluizen, slawortelluis en aardrupsen zijn andere insecten die witloof kunnen aantasten. Bij de liefhebber veroorzaken ze meestal weinig problemen.

19.5. Blauw witloof

Het blauw verkleuren van de kroppen is toe te schrijven aan te zure grond bij de wortelteelt of aan te droge grond bij de trek. Onder deze omstandigheden neemt de wortel overvloedig ijzer op uit de grond die met de in de krop aanwezige looistoffen een blauwverkleuring veroorzaken.

19.6. Roodverkleuring

Roodverkleuring van de krop is een aantasting die tijdens de bewaring soms optreedt. Tijdens de bewaring neemt het gewicht van de buitenste bladeren af ten gunste van de doorgaande groei van de binnenste bladeren. Dit veroorzaakt een weefselspanning in de bladeren waardoor cellen scheuren. Aanwezige enzymen reageren met stoffen buiten de cel en veroorzaken een rode kleur.
Deze fysiologische afwijking treedt vooral op bij kroppen die een versnelde forcerie achter de rug hebben, bv. op hydrocultuur. Bij de liefhebber komt dit minder voor.

19.7. Losse kroppen

Dit kan verschillende oorzaken hebben:
- De wortels zijn onvoldoende afgerijpt;
- Het loof is te lang afgesneden;
- Er is te weinig vorming van wortelhaartjes;
- Wortels zijn ziek;
- Er werd te zwaar bemest.
 

Uit: Handboek Ecologisch Tuinieren, Velt.

Eigenschappen

Hoogte
20 - 70 cm