Wil ook jij specifieke informatie ontvangen over jouw tuin?

Heb je reeds een MijnTuin.org account? Aanmelden

Doperwt 'Meikoningin'

Pisum sativum 'Meikoningin'  • 

Foto: Doperwt 'Meikoningin'

Foto: Doperwt 'Meikoningin'
Foto: Doperwt 'Meikoningin'
Foto: Doperwt 'Meikoningin'

Vrij fijn, rondzadig ras dat van ouds geldt als een lekker vroeg soort. Enige steun is voor dit halfhoge ras aan te bevelen, op vruchtbare klei of bij veel regen kan wel een hoogte van 2 m bereikt worden. Voor vroege pluk de meest aangewezen soort.

Zaaien: onder glas jan-febr, buiten van maart-mei. Bescherm tegen (vogel) vraat. Ze hebben gaas of rijshout nodig, maak rijen van noord naar zuid en geef een 2e rij 150cm afstand. Onderlinge plant afstand 10cm.

Oogsten: juni-juli als de peul helemaal vol is van erwten. De peulen niet te dik laten worden, de erwten zijn dan minder smakelijk.

Erwten zijn typische voorjaarsgroenten en groeien het best in het koele voorjaar. 's Zomers groeien de erwten niet meer zo goed, is de vruchtzetting minder en is de kans op massale luisinfecties en aantasting door meeldauw groot. Vanaf eind februari tot en met april is dan ook de ideale teeltperiode om te starten met erwten. Voor een goede oogstspreiding kan je proberen vroeg en laat te zaaien. Later dan eind april is af te raden. Het hoeven heus niet alleen doperwten te zijn, peulen (sluimerwten) zijn ook heel makkelijk om te telen.

De soorten.
  Groene erwten of doperwten:  Deze erwten hebben een harde vruchtwand die niet eetbaar is. Hier moet je de erwten dus uit de peul halen, ook wel 'erwten doppen' genoemd. Er zijn hierbij gladzadige (rondzadige) en gekreuktzadige soorten. De gladzadige soorten kunnen zeer vroeg uitgezaaid worden en hebben een meer aromatische erwtensmaak. De gekreuktzadigen zijn zoeter van smaak, maar kunnen niet zo vroeg verbouwd worden. Ze verdragen minder goed de koude, natte voorjaarsgrond. Anderzijds zijn de rassen met gekreukte zaden wel beter bestand tegen de eerste zomerwarmte.
  Hoog en Laag:  Verder is er nog de keuze tussen hoge (meer dan 120 cm), halfhoge (tussen 60 en 120 cm) en lage rassen (tussen 30 en 60 cm). Alleen de lage rassen kunnen we telen zonder draadwerk of rijshout aan te brengen. Rijshout zijn bijvoorbeeld takken van knotwilgen die we rechtop zetten tussen de erwten als ze een tiental cm hoog zijn. Hoge rassen vergen dus wat meer werk voor het aanbrengen van draadwerk of rijshout maar je kan er wel meer productie uithalen van op een beperkte oppervlakte. Ook de kwaliteit van de hoge soorten is iets beter en de oogst is meer gespreid.

  Sluimerwten of peulen:  Dit zijn erwten die we niet hoeven te doppen! We moeten de peulen oogsten als ze volgroeid zijn, maar wel nog vóór de erwten in de peul dikker worden. Je kan peulen trouwens herkennen doordat de erwten in de vruchthuid gespannen zitten, je kan ze al zien vanaf dat de peul aan het groeien gaat. Ben je te laat om de jonge peulen oogsten, dan kan je nog altijd de erwten oogsten als ze volgroeid zijn, maar dan moet er wel gedopt worden. Ook hier kan je kiezen tussen hoge en lage soorten.
  Peulerwten of suikererwten:  Ook deze erwten hoeven we niet te doppen. Maar we moeten ze ook niet jong oogsten. We mogen gerust wachten totdat de peul goed met erwten gevuld is. Ze hebben een opvallend dikke, vlezige peulwand. Ze worden gegeten in salades of kort gekookt. Vergeet wel niet de 'draad' er af te halen (de vezelige verbinding tussen de twee peulhelften).

  Vruchtwisseling:  De erwt (Pisum sativum) is een plant die behoort tot de Vlinderbloemenfamilie (Fabaceae, synoniem: Papilionaceae). En hoort dus thuis op het perceeltje van de peulgewassen. Dit meestal nadat er het voorgaande jaar wortelgroenten of aardappelen geteeld werden. Het jaar na de peulgewassen komen volgens de klassieke vruchtwisseling de koolgewassen.
Erwten worden vroeg geoogst, er is dus nog tijd voor een typische najaarsteelt of gewoon wat saladegroenten.

  Bemesting:  Een hoog humusgehalte is goed voor de teelt van erwten. De stikstofbehoefte van de erwt is behoorlijk, doch als vlinderbloemige plant wordt de stikstof in sterke mate opgenomen uit de lucht door Rhizobium bacteriën die in symbiose leven in de wortelknobbeltjes van de erwt. Een stikstofbemesting is zelden nodig, eventueel een heel kleine gift bij zeer vroege uitzaai of bij ongunstige (natte en koude) groeiomstandigheden. Op lichte gronden toch wel een matige hoeveelheid kompost geven, die voor de winter ingewerkt wordt. Compost of verse stalmest vlak voor het zaaien zijn uit den boze, net zoals stikstofmeststoffen. Een lichte kalibemesting is aan te raden, met name op lichte grond, 50 gram per m² patentkali. De behoefte aan stikstof wordt voldaan door de stikstofbinding uit de lucht via de wortelknolletjes.

  Grondbewerking:  De grond wordt losgemaakt met een spitvork of wordt gespit. Laat de grond een dagje opdrogen, om daarna te harken. Indien er wat kalium toegediend werd, wordt die diep ingeharkt. Erwten zijn ook wel een beetje zoutgevoelig, vandaar. Daar het grove zaden zijn hoeft de grond niet heel fijn geharkt te worden.

  Zaaien:  Erwten zaaien is niet zo moeilijk. Laat de erwten 24 uur weken in een laagje water. De droge erwten nemen heel veel water op waardoor ze al een voorsprong hebben bij het kiemen.
Voorkiemen kan ook om zo een week te winnen.
Leg de erwten in een laagje water, dat halfweg de hoogte van de erwten komt. Je zal zeker de eerste twee dagen wat water moeten bijvullen, want ze zuipen nogal wat in het begin. Na 3-4 dagen is een wortelje van één centimeter zichtbaar. Tijd om te zaaien nu. Trek een geultje van 2-3 cm diep en giet dit vol met water. Verdeel daar in de zaden. En dek af met grond.
Maak een geultje van een tweetal centimeter diep en leg om de vier cm een zaadje. Op zware grond niet dieper dan twee centimeter, op lichte grond kan een centimetertje dieper gezaaid worden. Het geultje toedekken en lichtjes aandrukken.
Erwten worden dikwijls in dubbele rijen gezaaid met een onderlinge afstand van dertig centimeter. Tussen deze dubbele rijen zit dan 60 cm (lage) of 120 cm (hoge) afstand.
Na een paar dagen is er al een worteltje en na een tweetal weken is er groen aan de oppervlakte te bespeuren. Althans voor wie zaait in april. Bij de vroege zaai duurt het natuurlijk allemaal nog wat langer.
Over het tijdstippen en de afstanden van zaaien vindt u meer in derespectievelijke teeltschema's van erwten .

  Vogels:  Op heel wat plaatsen moet men ook voorzorgen nemen opdat de vogels de erwten niet uit de grond halen. Een natuurvriendelijke methode is de zaaigeultjes afdekken met heel korte takjes van snoeiafval. In een net kunnen de vogels makkelijk verstrikt raken. Afdekken met fijn gaas of vliesdoek kan natuurlijk ook. Vermijd in dat verband te ondiep zaaien.

  Voorzaaien: De vroegste teelt wordt onder glas voorgezaaid in februari. Een temperatuur van 10°C is goed, maar ook bij 5°C groeien de erwtjes nog, en ze kunnen ook wat vorst verdragen. Eerst voorweken, daarna per drie in potjes zaaien. Of gewoon één zaadje per pot als het kleine zijn (zoals bijvoorbeeld de trays op de foto hieronder) Of u kan de erwtjes in rijen in een koude bak zaaien op een zaaibed in rijtjes op 10 cm van elkaar.
 
Afharden van voorgezaaide erwten lukt het best als ze geteeld werden in de koude bak. Anders zet u de plantjes overdag en ’s nachts buiten, behalve bij meer dan –3 °C vorst. Voorkiemen is zeker de moeite waard om een mooie voorsprong op te bouwen of toe te passen op zware grond die pas laat in het voorjaar bewerkbaar wordt. Daar tegenover staat het vele extra werk (voorkiemen, vochtig houden, zaaien in potjes, uitplanten) ten opzichte van het ter plaatse zaaien.

  Teeltspreiding:  Van zodra de jonge kiemplantjes in de potten 8 cm groot zijn kan buiten geplant worden. Losse plantjes zijn best wat kleiner. Tegelijk met dit uitplanten zaait men buiten voor de eerste keer direct ter plaatse. Het derde zaaisel brengt men in de grond als het tweede 5 á 6 cm boven de grond staat.
Losse erwtenplantjes worden geplant zodanig dat het witte stengeldeel volledig in de grond zit.

  Aanaarden en steunen:  Erwten worden aangeaard als de plantjes 15 cm hoog zijn. Maak een klein heuveltje grond tegen de plantjes aan zodat ze steviger in de grond zitten.
Aanaarden gebeurt voor het aanbrengen van rijshout. Leg wat aarde tegen de stengeltjes terwijl u de grond oppervlakkig schoffelt.
Voor de lage soorten volstaat een paaltje aan weerszijden van de rij met daaraan een touw. De hoge en halfhoge soorten vragen absoluut meer steun. Met hun hechtranken zetten ze zich vast op het steunmateriaal. Het steunen kan gebeuren met rijshout, afkomstig van het knotten van wilg of populier. Op de foto's worden takken van een krulwilg gebruikt. Plaats aan weerszijden van de dubbele rij, zodat de takken met de toppen tegen elkaar komen. Met klimnet of gaas aan palen om de 2 meter kan ook gesteund worden, alleen is het soms nodig nog eens een touw te spannen van de ene paal naar de andere om het gewas extra te steunen.

  Oogsten: Oogst alle soorten erwten één tot twee maal per week, om de groei van de jongere peulen te laten doorgaan. Sluimerwten pluk je als de erwtjes in de sluimen nog heel klein zijn. Te laat geplukt zijn ze minder mals en de zaden te dik. Doperwten zijn melig als ze te laat geoogst worden. Bij eenzelfde zaaitijd zijn de lage soorten vroeger te oogsten dan de hoog groeiende soorten. Het voordeel van hoge soorten is dat je langer kunt doorgaan met plukken. De lage soorten hebben de neiging al hun erwten in korte tijd prijs te geven.

  Ziekten:  Enkel laat gezaaide erwten zijn heel gevoelig voor meeldauw en vallen ten prooi aan bladluizen. Ook andere insecten kunnen opduiken bij te laat zaaien.
De volwassen grijsbruine snuitkevers (Sitona lineatus) vreten aan de bladranden; de larven die ontluiken uit de afgelegde eitjes, leven in de grond en vreten aan de wortelknobbeltjes en de wortels. De schade die aangericht wordt door de kevers is meestal niet zo groot. De larven kunnen echter meer schade aanrichten doch zijn onbereikbaar. Deze kevers vormen een probleem bij onvoldoende vruchtwisseling.
De erwtepeulboorder (Laspeyresia nigricana). Deze motjes leggen vanaf mei - juni eitjes af op de planten; indien dit gebeurt op of nabij de peulen boren de larven (binnen 1-2 dagen na het ontluiken) zich in de peul en het zaad en veroorzaken wormstekigheid.

Eigenschappen

Hoogte
1 - 200 cm
Kleur
  •   
Winterhard
Neen
PH
Neutraal
Vochtigheid
Normaal
Licht
Zon
Evergreen
Bladverliezend