Wil ook jij specifieke informatie ontvangen over jouw tuin?

Heb je reeds een MijnTuin.org account? Aanmelden

Foto: Perzik (algemeen)

Foto: Perzik (algemeen)
Foto: Perzik (algemeen)
Foto: Perzik (algemeen)

Perzikbomen groeien het best op een goed doorlatende grond, welke niet erg gevoelig is voor late lentenachtvorst.

- Perzikbomen verdragen geen te natte of koude gronden.

- Ze groeien graag op een zonnige, warme plaats.

- Niet planten op zgn. "vorstzakken" (Laag gelegen perceel, waar de koude uit de omgeving naartoe zakt)

- Perzikbomen zijn geschikt als leifruit tegen een muur of schutting.

Tegen een muur is de grond meestal voedselarm. Probeer de uitgehaalde grond te verbeteren met wat verteerde stalmest ofwel verteerde GFT-compost. De ruimte tussen de muur (schutting) en stam mag niet te klein zijn. Blijf zeker 20-25 cm van de muur af.
Plant de boom niet te diep en zorg dat de entplaats ruim boven de grond zit.

Voor het behouden van de grondstructuur en een goede hergroei brengt u na het planten een mulchlaag aan van verteerde mest, compost of champignonmest (champost). Hiermee voorkomt u ook dat de grond uitdroogt en verbetert het bodemleven
 Perzik
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Perzik

Taxonomische indeling

Rijk:
Plantae (Planten)

Stam:
Embryophyta (Landplanten)

Klasse:
Spermatopsida (Zaadplanten)

Clade:
Bedektzadigen

Clade:
'nieuwe' Tweezaadlobbigen

Clade:
Fabiden

Orde:
Rosales

Familie:
Rosaceae (Rozenfamilie)

Geslacht:
Prunus (Prunus)

 

soort

Prunus persica
(L.) Batsch (1801)

Portaal 
Biologie


De ontwikkeling van een perzik over de loop van zeven en een halve maand, van de vroege winter tot het midden van de zomer. Foto's genomen bij East Gippsland in de Australische deelstaat Victoria
De perzik (Prunus persica) is een populaire vrucht. Ze bevat een harde houten pit net als de abrikoos, de pruim en de kers. Technisch zijn dit alle steenvruchten. De perzik is zelffertiel, en kan dus zichzelf bevruchten.
De perzik wordt voornamelijk gekweekt in Perzië (Iran) en de omgeving van de Middellandse Zee. De naam Perzik betekent Perzisch. Perziken komen oorspronkelijk uit China, maar zijn via Perzië in Europa terechtgekomen.
De schil voelt een beetje pluizig aan. Een vorm zonder deze pluizige schil heet een nectarine. Behoudens de schil bestaat er geen wezenlijk verschil tussen perziken en nectarines. Een nectarine is dus geen kruising tussen een perzik en een pruim, zoals soms wordt verondersteld.
Binnen de rassen wordt wel onderscheid gemaakt naar de kleur van het vruchtvlees: wit, geel of rood. Veel witvlezige rassen staan er om bekend dat ze beter smaken dan de geelvlezigen, maar een nadeel is dat ze veelal slechter tegen transport kunnen.
Inhoud
[verbergen]
• 1 Teelt in Nederland
• 2 Vermeerdering
• 3 Rassen
• 4 Ziekten

[bewerken] Teelt in Nederland
In Nederland werden vroeger perziken onder glas geteeld. Deze teelt is nagenoeg verdwenen omdat de Nederlandse kasperziken qua kostprijs niet konden concurreren met de perziken die in Zuid-Europa gewoon buiten groeien.
Ook buiten een kas is teelt in Nederland wel mogelijk, zeker als de boom op een beschutte plaats staat (bijvoorbeeld tegen een zuidmuur). Perziken bloeien in Nederland buiten al zeer vroeg (in april), waardoor er een grotere kans bestaat op bevriezing van de bloemen door nachtvorst. Daardoor kan de oogst van buitenperziken wisselvallig zijn. Indien de bloemen niet door nachtvorst zijn beschadigd, kan de vruchtzetting zeer overvloedig zijn. Ruime vruchtdunning is dan noodzakelijk, zodat de overblijvende vruchten voldoende gelegenheid krijgen om volledig uit te groeien en alleen dan een goede kwaliteit zullen krijgen.
[bewerken] Vermeerdering
Sommige oude rassen zijn zaadvast. Dat wil zeggen dat de zaailingen van deze rassen (vrijwel) hetzelfde terugkomen als de moederboom. Uiteraard moet de bloesem dan wel zijn bestoven met stuifmeel van dezelfde boom. Het uitzaaien van zaadvaste rassen is alleen interessant voor particulieren die niet de mogelijkheid hebben om te enten.
Vrijwel alle moderne rassen kunnen alleen vegetatief worden vermeerderd door enten op een onderstam. De pruimenonderstam St. Julien-A wordt in Nederland hiervoor het meest gebruik. Deze onderstam geeft aan de boom een tamelijk sterke groeikracht. Ook kunnen zaailing-perziken als onderstam worden gebruikt. De groeikracht van zaailingen kan echter onvoorspelbaar en variabel zijn. De meeste bomen op zaailing-onderstam groeien echter sterk.
In Duitsland is de zwakker groeiende onderstam Pumi-Selekt in opkomst. Dit is een virusvrije selectie uit de soort Prunus pumila. Bomen op deze onderstam bereiken uiteindelijk een kroonvolume van ongeveer 50% ten opzichte van bomen op onderstam St. Julien-A. Dit is interessant voor particulieren met een kleine tuin of voor intensieve commerciële beplantingen. Pumi-Selekt is ook verenigbaar met nectarines en abrikozen, doch niet met pruimen.
De oude pruimenonderstam Gele Kroos geeft eveneens een zwakke groei aan de boom. Deze onderstam werd voorheen wel gebruikt voor de teelt van perziken onder glas. Deze onderstam is echter gevoelig voor virusaantasting en geeft bovendien veel wortelopslag onder de bomen.
[bewerken] Rassen
Perzikbloemen
Perziken aan boom
PERZIK
Voor de buitenteelt van perziken in Nederland kunnen de volgende rassen worden gebruikt:
• Amsden (ofwel Amsden June): Oud ras (1868), afkomstig uit de USA. De waarde van dit ras zit hem vooral in het vroege rijpingstijdstip, namelijk half tot eind juli buiten. De vruchten zijn niet buitengewoon groot en hebben wit vruchtvlees dat vast zit aan de steen. De smaak is matig tot redelijk. Matig sterke groeier. Ook geschikt voor de teelt in de kas.
• Charles Ingouf: Afkomstig uit Frankrijk (1896). Rijpt eerste helft van augustus. Fraai gekleurde witvlezige vruchten met een steen welke los in het vruchtvlees ligt. Smaakvol. Kan erg vruchtbaar zijn en moet dan sterk worden gedund. Sterke groeikracht.
• Peregrine: Afkomstig uit Engeland (1906). Kan vanaf de derde week van augustus geoogst worden en heeft fraai gekleurde witvlezige vruchten met een goede smaak. De steen ligt los in het vruchtvlees. De boom groeit matig sterk. Ook geschikt voor de teelt in de kas.
• Redhaven: Afkomstig van de Michigan State University in de USA (1940) en wereldwijd zeer bekend geworden. Rijpt in Nederland ongeveer gelijk met Peregrine. Ronde middelgrote aantrekkelijke vruchten met lichte beharing. Tamelijk stevig geel gekleurd vruchtvlees met een goede smaak en met een rode tint rondom de los liggende steen. Zeer geschikt voor zowel verse consumptie als inmaak. Kan erg vruchtbaar zijn en moet dan sterk worden gedund. Van alle hier omschreven rassen is Redhaven de enige met geel gekleurd vruchtvlees.
• Revita: Dit nieuwe ras is afkomstig uit Baden, Duitsland. Rijpt in de tweede helft van augustus. Sterke groeikracht. Grote lichtroze bloesems met een hoge sierwaarde. Goede productiviteit. Grote witvlezige vruchten met rode blos. De steen zit vast in het vruchtvlees. Van de vruchten wordt soms gerapporteerd dat de kwaliteit matig is. Desalniettemin is Revita mogelijk een waardevol ras vanwege de geringe vatbaarheid voor de krulziekte of kroesziekte die zich zeer vroeg in de lente ontwikkelt en waarbij de scheuten er opgezwollen, misvormd en verkleurd uitzien. Verder bestaat er nog weinig praktijkervaring mee.
• Champion: Afkomstig uit de USA (1890). Rijpt gelijk met tot iets later dan Peregrine. Zeer grote sterk behaarde vruchten met weinig blos. Door de geringe blos en de sterke beharing is het uiterlijk minder aantrekkelijk, echter het witte vruchtvlees smaakt goed. Zeer sterke groeikracht. Kan erg vruchtbaar zijn en moet dan sterk worden gedund. Ook geschikt voor de teelt in de kas.
• Vaes Oogst (ofwel Half Oogst): Afkomstig uit België. Rijpt wat later dan Peregrine. Vrucht witvlezig met redelijke smaak. Sterke groeikracht.
• Benedicte (ofwel Meydicte): Een nieuw ras uit Frankrijk (M. Meynaud). Omstreeks 1988 gevonden als een zaailing van onbekende herkomst. Omstreeks 1995 geïntroduceerd. Geeft kleine donkerroze bloesems met weinig sierwaarde. Rijpt in de eerste helft van september. Geeft zeer fraaie grote vruchten met een rode blos en relatief lichte beharing. Het witgroene vruchtvlees heeft een los liggende steen en is sappig met een goede smaak. De vruchten zijn redelijk goed houdbaar en goed transporteerbaar. Goede productiviteit. Waardevol ras vanwege de geringe vatbaarheid voor de krulziekte. Verder bestaat er nog weinig praktijkervaring mee.
• Wassenberger, Kernechter vom Vorgebirge, Roter Ellerstädter en Reine de Vergers zijn allen oude zaadvaste rassen welke zo veel gelijkenis vertonen dat deze tot dezelfde groep worden gerekend. Veelal betreft het lokale typen, ontstaan doordat er variatie aanwezig is tussen de uitgezaaide exemplaren van deze (min of meer) zaadvaste rassen. Door voortdurende selectie is de Wassenberger waarschijnlijk het meest aangepast aan het Nederlandse klimaat. De naam van de Wassenberger is waarschijnlijk te herleiden naar het Duitse dorp Wassenberg dat vlak over de Nederlandse grens ligt tussen het Limburgse Vlodrop en het Duitse Erkelenz. De vruchten rijpen in de eerste drie weken van september en zijn middelgroot, wit vruchtvlees met rood om de losse pit. Goede smaak, al kan de kwaliteit afnemen als gevolg van de weersomstandigheden in die tijd van het jaar. Krachtige groei. Kan erg vruchtbaar zijn en moet dan sterk worden gedund. Regelmatig wordt gerapporteerd dat de rassen uit de Wassenberger-groep minder vatbaar zouden zijn voor de krulziekte.
• Fertile de Septembre (RGF): Eveneens een oud zaadvast ras van onbekende herkomst. Rijpt de tweede helft van september met middelgrote rood gekleurde vruchten met wit vruchtvlees. Weinig tot gemiddeld vatbaar voor de krulziekte en weinig vatbaar voor monilia. Kan erg vruchtbaar zijn en moet dan sterk worden gedund.
NECTARINE
Voor het planten van nectarines kan in Nederland gewoonlijk slechts gekozen worden uit een zeer beperkt aantal rassen. Het bekendste ras is:
• Madame Blanchet: Een ras van Nederlandse oorsprong (omstreeks 1935). Rijpt begin september. De vruchten hebben een rode blos met wit vruchtvlees en los liggende steen. Ze blijven wat kleiner dan de moderne perzikenrassen. Goede smaak.
[bewerken] Ziekten
Krulziekte

Perzikkrulziekte
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Perzikkrulziekte

aangetaste bladeren
Portaal 
Geneeskunde


Perzikkrulziekte, ook wel koublarenziekte genoemd, is een pathogene schimmelziekte veroorzaakt door Taphrina deformans die voorkomt bij perzik-, nectarine-, abrikoos- en amandelbomen.
[bewerken] Kenmerken
Als gevolg van de aantasting door Taphrina deformans vertonen de bladeren in het voorjaar zeer ernstige misvormingen die zich vaak aan de uiteinden van de takken bevinden. De misvormingen verkleuren eerst rood en daarna geelbruin. Aangetaste bladeren zijn bros. Bij een zware aantasting kunnen ook de jonge vruchten en zelfs gehele taken aangetast worden en afvallen. De ziekte ontstaat in het vroege voorjaar op het ogenblik dat de knoppen uitlopen en de boom bloeit. Eind mei zijn de sporen rijp en verspreiden ze zich weer met behulp van de regen en wind door de boom en nestelen zich weer op de knoppen.[1]
Later in het seizoen (juni) groeit de boom door de aantasting heen en vormt hij nieuw blad, ten einde midzomer is er geen spoor meer van de ziekte te bekennen. Daar de bladval echter plaatsvindt in een periode dat het uiterste van de boom wordt gevergd - nieuwe knoppen en scheuten ontwikkelen zich in deze periode - kan de boom ernstig verzwakken. Dit mede doordat het tijdelijk ontbreken van het blad ook de productie van voedingsstoffen (assimilatie) tijdelijk op een laag pitje doet staan. Indien de schimmelziekte gepaard gaat met een overvloedige vruchtzetting kan er tevens ernstige schade ontstaat aan de vruchtkwaliteit, scheutgroei en vorming van nieuwe bloemknoppen. Daarnaast doet de aandoening de vitaliteit van de boom jaar na jaar afnemen, waardoor de boom steeds meer moeite krijgt om door de aantasting heen te groeien. De boom kan uiteindelijk een kwijnend bestaan gaan leiden en afsterven. De krulziekte is de belangrijkste reden dat perzik en aanverwante bomen in particuliere tuinen weinig voorkomen.
Van enkele perzikenrassen (zoals 'Revita' en 'Benedicte' is bewezen dat ze minder vatbaar zijn voor de krulziekte.[2] Er is echter ook bij deze rassen geen sprake van een volledige resistentie, doch van een deelresistentie. Ook de bomen van deze rassen kunnen derhalve wel worden aangetast, maar de aantasting is gemiddeld genomen minder hevig en de bomen groeien sneller door een aantasting heen. Er zijn (nog) geen nectarine-rassen bekend welke een deelresistentie tegen de krulziekte bezitten.
Veel bomen hebben tevens last van de gomziekte door uitputting ten gevolge van krulziekte of te veel vruchten. Pleksgewijs treedt er uit takken en de stam vocht uit dat opdroogt tot bruingekleurd gom.
[bewerken] Behandeling
Op het ogenblik dat de ziekte zichtbaar wordt op de bladeren is de aandoening op dat ogenblik niet meer te bestrijden. Pluk de aangetaste bladeren voordat het witte dons verschijnt, zo wordt de infectiedruk teruggedrongen. Indien de aantasting gepaard gaat met een overvloedige vruchtzetting is het uitdunnen van de vruchten noodzakelijk zodat de boom een extra impuls krijgt om de ziekte te overgroeien. Dit kan best gebeuren op het ogenblik dat de vruchtjes de grote van een hazelnoot hebben.
De krulziekte kan chemisch bestreden worden door middel van een bespuiting met bepaalde fungiciden (schimmelbestrijdingsmiddelen). De bespuiting moet plaatsvinden op het moment dat de knoppen gaan schuiven (eind februari). Bij een hevige aantasting in het voorafgaande jaar moet de bespuiting vervolgens worden herhaald met een interval van 10-14 dagen, tot de bloeiperiode. Tijdens de bloei kan beter niet worden gespoten. Beginnen met spuiten als de ziekte al wordt waargenomen heeft weinig zin. Van de volgende fungiciden is bekend dat ze werkzaam zijn tegen de krulziekte: ferbam, thiram, ziram, dithianon, chloorthalonil, dodine en middelen op basis van koper (zoals koperoxychloride en Bordeauxse pap). Het is de werkzame stof die hier wordt genoemd; deze stoffen kunnen onder diverse handelsnamen op de markt zijn. Er dient steeds te worden nagegaan of de genoemde middelen volgens de lokale wetgeving zijn toegelaten voor dit gebruik.
Ook plantversterkende middelen (aftreksel van heermoesgier) en goede buurplanten (zoals knoflook, Oost-Indische kers en mierikswortel) aan de voet van de boom zouden een goed resultaat geven.[3]
Ten slotte is de standplaats eveneens bepalend voor de vatbaarheid voor de ziekte, een goede keuze hierbij is een zonnige beschutte plaats nabij een schutting of muur zodat de warmte stralen kunnen terugkaatsen.
Bronnen, noten en/of referenties
1. ↑ Door droogte minder perzikbomen aangetast door Perzik-krulziekte; Nederlandse Mycologische Vereniging (natuurbericht.nl); 18 mei 2011
2. ↑ Perzikkrulziekte; Bongerd Groote Veen: Historische fruitrassen
3. ↑ Perzikkrulziekte bij perzik- en nectarinebomen; Houtwal; G. De Kinder

Overgenomen van "http://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Perzikkrulziekte&oldid=30441558"
Categorie:
• Plantenziekte

Taphrina deformans
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Taphrina deformans
aangetaste bladeren
Taxonomische indeling

Rijk:
Fungi (Schimmels)

Stam:
Ascomycota

Klasse:
Taphrinomycetes

Orde:
Taphrinales

Familie:
Taphrinaceae

Geslacht:
Taphrina

 

Soort

Taphrina deformans
(Berk.) Tul., (1866)

 

Portaal 
Biologie
Schimmels


Taphrina deformans (syn. Exoascus deformans) is een schimmel uit de familie van de zakjeszwammen die de perzikkrulziekte veroorzaakt en voorkomt op perzik-, nectarine-, abrikoos- en amandelbomen.
[bewerken] Beschrijving
Taphrina deformans is een hogere schimmel die in het blad leeft en geen vruchtlichaam vormt.
De sporen worden gevormd in eenvoudige asci (sporenzakjes) op het blad in tegenstelling tot het schotelvormig vruchtlichaam dat kenmerkend is voor tal van andere zakjeszwam-soorten. De sporen, zo toont onderzoek aan, verspreiden zich vanaf de bladeren en overwinteren op de bast van de boom.
Wanneer de omgevingstemperatuur stijgt boven de 10°C worden de sporen actief. Klimt de temperatuur op tot 16°C stopt de infectie en boven de 19°C sterven de ontkiemende sporen af. Tijdens de infectieperiode is neerslag van vitaal levensbelang voor de schimmel. Onderzoek toont aan dat er minimaal 3 mm neerslag nodig is om een infectie uit te lokken en minimaal 12 millimeter om de kiemende sporen te verspreiden over gans de boom.
Daaropvolgend is een vochtige periode vereist van minimaal 24 uur nodig, waarbij de boom niet langer dat vier uur weer droog is.[1]
Eind mei verschijnt een witte donslaag met sporenzakjes op de gedeformeerde bladeren, de sporen zijn rijp. Ze verspreiden zich met behulp van de regen en wind door de boom en nestelen zich weer op nieuwe knoppen en in de bast.[2]
Bronnen, noten en/of referenties

Fruitbomen & fruitstruiken (bessen)
Prunus persica - perzik, gewone-, behaarde-
Naam: Prunus persica
Nederlandse naam: perzik, gewone-, behaarde-
Andere gebruikte benamingen:
Bloeitijd: 4
Bloemkleur: roos
Hoogte min-max: 3.5-4.5
Bladeren: 15 cm smalle bladeren 

Zoek FOTO op Google
Snoeitip


Informatie, teelt:
De oorspronkelijke wilde vormen van onze rassen van Prunus persica kwamen uit Midden en Noord-China. Via Voor-Azië en het Middellandse-Zeegebied kwamen ze naar Europa, waar ze eeuwenlang in orangerieën en kloostertuinen werden geteeld. Het zwaartepunt van de Europese teelt ligt in Zuid-Frankrijk, Noord-Italië en Griekenland vanwege het gunstige klimaat. Tegenwoordig worden ze ook in Hongarije en Oostenrijk verbouwd. De perzik en de nectarine zijn ideale fruitbomen voor de tuin.

Deze meestal boom- of struikachtig groeiende plant wordt als laagstam geteeld tot maximaal 3 m hoogte. De bladeren zijn smal, lang en weinig behaard. De roze bloemen zijn zeer fraai. Alle rassen zijn tweeslachtig en op enkele uitzonderingen na zelfbevruchtend. Men hoeft dus geen andere bomen te planten om de oogst veilig stellen. De vruchten zijn betrekkelijk groot, afhankelijk van het ras tot meer dan 400 gram, rond tot elliptisch, en ze hebben aan één zijde een buiknaad. De perzik heeft een fluwelige geelrode huid.

De bloemen zijn erg vorstgevoelig, de bomen hebben beurtjaren. Kies vooral een goede, zonnige, hooggelegen standplaats uit. Een goede hergroei bekomt men als men bij het planten de lange twijgen op 1/3 insnoeid. De beste planttijd is februari.

De meeste perzikrassen zijn erg gevoelig aan de krulziekte. Rassen die waarschijnlijk tolerant zijn voor deze schimmel zijn ´Lieveling´, ´Reine de Vergers´, ´Red Haven´ en ´Fertile de Septembre´.

Smaak:

Men heeft witvlezige perziken en ook geelvlezige perziken. Boomgerijpte witvlezige perziken zouden het lekkerste zijn. Op droge, arme zandgronden is als onderstam de perzikzaailing het meest geschikt. De kwaliteit van de smaak hangt echter meer af van de vruchtgrootte, groeiplaats, ras en rijpheid dan van de kleur van het vruchtvlees.

Plukken:

Belangrijk is ook het uitdunnen van de vruchten. Een overmatige vruchtzetting is een aanslag op de boom en resulteert in kleine vruchten en onvoldoende groei van de scheuten. Ongeveer vier weken na de bloei worden de overtollige vruchten verwijderd, zodanig dat de onderlinge afstand tussen twee vruchten minstens een handbreedte bedraagt. Rijping volgt binnen twee of drieweken. De vruchten aan de boom laten rijpen, om de drie dagen plukken en ze laten narijpen, zodat het vruchtvlees gemakkelijk loslaat van de schil en de pit. De overgebleven vruchten kunnen vervolgens verder groeien en rijpen.

Standplaats:

Een zonnige standplaats en een kalkrijke grond zijn nodig. Te natte standplaatsen zijn nefast. Ze hebben weinig ruimte nodig en behoeven nauwelijks te worden bespoten. De aan de boom gerijpte vruchten zijn vaak net zo lekker als de geïmporteerde vruchten. Perziken hebben vooral veel water nodig tijdens intensieve celdeling, dat wil zeggen kort na de bloei en vlak voor de rijping van de vruchten.

Aankoop:

In het algemeen plant men uitsluitend eenjarige, veredelde planten aan, omdat de oudere exemplaren slechts langzaam groeien en zich haperend verder ontwikkelen. Men plant bij voorkeur in het voorjaar en plaatst de bomen van tevoren een dag lang in water. Snij de sterkere wortels aan het uiteinde glad af en controleer op gezondheid (het snijvlak moet wit zijn).

Planten:

Men plaatst de boom in een diep gat, zodanig dat de entplek ongeveer een handbreedte boven de grond uitsteekt. Het gat wordt aangevuld met humusrijke tuingrond (zonder turfmolm) en drukt de wortels voorzichtig aan. Giet meermaals rijkelijk en dek de boomschijf tegen uitdrogen af met humus, turfmolm, stro of zwarte folie. Ook daarna geeft men regelmatig water. De bomen worden op een onderlinge afstand van 4-5 m aangeplant. De boom moet gesnoeid worden in overeenstemming met de gereduceerde wortelmassa.

Vermeerdering: door veredelen op onderstam door oculatie
• Standplaats lichtbehoefte: zon
• deze plant is vorstgevoelig
• geschikt voor een solitaire positie in een beplantingsschema
• deze plant verlangt een kalkhoudende bodem (pH 6,5 of hoger)

 

Prunus
amandel, kers, perzik, pruim, laurierkers, kroosjespruim, kerspruim, weichselboom, vogelkers, sierkers, amerikaanse sierkers, treurkers
Prunus algemeen
Fruit Sierbomen (struiken) Hagen
* Prunus cerasus - steenfruit, kers, kriek
- de opkweek van zure krieken stap voor stap

- de opkweek van zoete kersen stap voor stap
* Prunus domestica - pruimen
- vruchtdunning bij pruimen
* Prunus persica - perzik
- de opkweek van een perzikboom stap voor stap
- de snoei van perziken in waaiervorm geleid
* Prunus dulcis

* Prunus cistena

* Prunus eminencis 'Umbraculifera'' - steppekers = Prunus fructicosa 'Globosa'
* Prunus serotina- amerikaanse vogelkers

* Prunus tenella - dwergamandel
* Prunus triloba - amandelboompje
* Prunus yedoenis (x) 'Shirdare-yoshino' = Prunus yedoenis 'Pendula'
* Hagen van Prunus laurocerasus - laurier, paplaurier, papbladeren
* Prunus laurocerasus 'Otto Luycken'

Prunus algemeen :

Sierstruiken, heesters, halfstammige of hoogstammige bomen die weinig nieuwe scheuten geven. Ze hebben de neiging om met hun hoofdtak door te groeien tot een boomvorm. Op jeugdige leeftijd is het voornaamste doel model in te brengen.
Bij deze soorten beperkt zich het snoeien tot het weghalen van het aanwezige dode hout, het wegnemen van verkeerd geplaatste takken, het wegnemen van overtollige takken en het verwijderen van wilde scheuten.
Beschadigde of afgeknapte takken snoei je weg tot op een zijtak eronder (als die aanwezig is).
Door veel te snoeien kan gommen ontstaan waardoor takken gaan afsterven.
Bij deze categorie horen onder andere volgende soorten met hun cultivars:
Prunus avium
Prunus blireinana
Prunus cerasifera (kroosjespruim)
Prunus cerasus
Prunus effusa
Prunus incisa
Prunus mahaleb
Prunus sargentii
Prunus serrulata
Prunus subhirtella
Prunus virginiana
Prunus yedoensis
Bij boomvormen kunnen scheuten aan de stam groeien. Tenzij u de stam nog wil laten aandikken (jeugdfase) deze zijscheuten aan de stam steeds kort wegsnoeien (foto)
Foto onder zijscheuten aan stam bij Prunus cerasifera 'Nigra'
Foto onder het resultaat van het wegsnoeien van zijscheuten aan stam bij Prunus cerasifera 'Nigra'


------
Prunus cerasus - steenfruit, kers, kriek:
Zie ook bij algemene snoei van fruitbomen

Zoete kersen
zijn meestal gevoelig voor beurtjaren. Daarom is snoeien een handig stuurmiddel. Door de vroege bloei, is schade door lentenachtvorst mogelijk. Bij kersen is kruisbestuiving meestal noodzakelijk. Het bestuivend ras moet gelijk bloemen met het hoofdras. Het stuifmeel moet ook geschikt zijn voor het moederras. Problemen met een te lage of geen vruchtbaarheid zijn meestal te wijten aan een slechte bestuiver, slechte standplaats (te laag gelegen vorstgevoelig perceel) of door te sterke groei. Zoete kersenbomen worden meestal veel groter in omvang dan zure kersen -> dat maakt verschil in de snoei uit.
Zure kersen.
Door snoei (vooral door afbuigen) worden de bomen vlugger vruchtbaar. Normaal zijn kriekenbomen reeds vroeg vruchtbaar! Op gesnoeide bomen zijn de krieken dikker en rijpen gelijkmatiger. Ongesnoeide bomen zijn moeilijker te plukken. Door te snoeien kan men een hogere plukprestatie verkrijgen. Oudere bomen blijven langer gezond en vruchtbaar. De bomen zijn minder vatbaar voor bloesemmonilia (een gevreesde taksterfte bij zure kersen). Het is gemakkelijker de bomen te beschermen met een net tegen de vogels.
De afgedragen vruchttakken moeten 's winters worden teruggesnoeid, zodat uit het oudere hout weer nieuwe knoppen kunnen worden gevormd. Deze leveren op hun beurt de takken waaraan de vruchtdragende scheuten verschijnen. Wanneer men dit regelmatig herhaalt en van tijd tot tijd ook grotere snoeibeurten geeft, krijgt men een krachtige, voldoende luchtige kroon die veel grote vruchten produceert.

Evenals bij andere fruitbomen moeten de krachtige, omhooggroeiende zijtakken worden teruggesnoeid tot bij de zijwaarts gerichte ogen. Hierdoor zal de boom meer in de breedte gaan groeien. Een oudere 'Morel' kan een verjongingssnoei ondergaan. De beste tijd daarvoor is in het vroege voorjaar, zodra men geen sterke vorst meer verwacht. Hij loopt meestal weer verbazingwekkend goed uit en moet in de jaren erna regelmatig worden gesnoeid.
Zie ook bestuivingstabel kersen
Zie ook bestuivingstabel krieken
Het tijdstip dat men steenfruit mag snoeien, is vanaf april tot half september (niet in de winter !).
jan. feb. mrt. apr. mei juni juli aug. sept. okt. nov. dec.
Voor fruittelers is de maand augustus (juist na de oogst van de krieken) het meeste geschikt.
Reden:
- in augustus is het meestal minder druk op het fruitbedrijf.
- bij de snoei na de pluk, wordt het overblijvende blad beter belicht, wat de bloembotvorming ten goede komt.
- de genezing van de wonden verloopt sneller tijdens de zomer. Men heeft dan minder kans op infecties via de snoeiwonden van de loodglansschimmel.
- zomersnoei helpt de groei te remmen, wat in nauwe beplantingen zeker interessant is.
Indien men de tijd heeft, mag men kriekenbomen ook snoeien, juist voor de bloei (einde maart - april)
Wanneer mag je vruchten verwachten?
Zoete kersen geven meestal pas 4 jaar na het planten vruchten.
Zure kersen (Noordkrieken) geven meestal na 2 jaar reeds de eerste vruchten.
Vormsnoei
Zoete en zure kersen hebben na de vorming van hun kroon vrijwel geen snoei meer nodig. Ze krijgen alleen nog een verjongingssnoei als de groei en productie afneemt of als verkaling intreedt.
Meestal staan er teveel twijgen aan een éénjarige geveerde boom, bekomen uit een oculatie of chip-budding.
Tracht 3 tot 4 twijgen te behouden, welke uit elkaar en vlak staan ingeplant (dus niet in kransvorm).
Men snoeit de steilste weg en dunt de overige goed uit. De overblijvende 3 - 4 twijgen worden de toekomstige gesteltakken.
Deze jonge twijgen zal men dan in de juiste stand afbuigen, nl.45 tot 60° (De bovenste takken tot op 90° uitbuigen).
Twijgen lager dan 50 cm worden best verwijderd.
Concurrenten van de kop verwijderen of als nieuwe kop (verlengenis) gebruiken
Vormsnoei vanaf 2 de jaar tot 5 de jaar
Men tracht zo weinig mogelijk te snoeien: enkel uitdunnen en te steile takken wegnemen. De kop insnoeien of van kop verspringen (de concurrent als nieuwe kop nemen).
De onderste gesteltakken moeten steiler groeien dan de bovenste. Dus de onderste takken uitbuigen tot op 45° en de bovenste takken uitbuigen tot op 60°. (bovenaan in de boom moet men het vruchthout zelfs tot op 90° uitbuigen).
Vruchthout op de gesteltakken horizontaal afbuigen of platsnoeien.
Snoei na het 5 de jaar, onderhoudsnoei
De snoei bestaat uit: uitdunnen om de belichting te bevorderen, vruchthoutsnoei en verjongingssnoei
Belichting bevorderen
De boomvorm "spil" is een goed opvangsysteem voor licht op voorwaarde dat de boom niet te hoog wordt.
Om de spilvorm te behouden moeten de takken onderaan steiler staan dan bovenaan.

Van een spil kan men een struik maken door de middentak (kop) eruit te zagen. Men doet dit in 2- maal, te beginnen vanaf het 7 de jaar.
Vruchthoutsnoei
Bovenaan (en buitenin) de boom treft men veel jong vruchthout aan, omdat er hier veel licht komt.
Men moet hier het vruchthout uitdunnen en terugsnoeien, om het zo kort mogelijk bij de gesteltak te houden.

Onderaan (en in het midden) van de boom treft men veel ouder vruchthout aan (er is hier minder licht).
Dit ouder vruchthout zal men vervangen door jong vruchthout.
We nemen vooral afgedragen vruchthout weg. Men kan dit herkennen aan de lange, afhangende twijgen (zgn. telefoondraden).

Men kan de dieven direct wegsnoeien, uitbreken ofwel tijdelijk (2 jaar) behouden. Men laat soms tijdelijk deze dieven staan, omdat hier veel en dikke vruchten aankomen. Indien men de dieven te groot laat worden nemen ze teveel licht weg.
Als men alle dieven wegneemt, dan mag men niet te veel oud vruchthout wegsnoeien. Anders heeft men te weinig vruchten !

Verjongingssnoei
Dit is alleen nodig als men verschillende jaren niet of slecht gesnoeid heeft.
Men zal bij deze verjongingssnoei vooral met de zaag werken.
Het is erg belangrijk zaagwonden te behandelen met een wondhelend product. Hiermee voorkomt men infectie door de loodglansschimmel (deze schimmel kan op alle Prunussen optreden). Andere Prunus-soorten zijn: zoete kers, sierkers, pruim, sierpruim, kerspruim, perzik, abrikoos, amandel, ...
Over het algemeen kan men stellen, dat men zure kersen/ krieken in de jeugd weinig moet snoeien en bij het ouder worden steeds meer moet snoeien. Steeds tracht men voldoende groei en belichting te behouden.
Zevenjarige bomen vragen ongeveer 15 minuten tijd aan snoei per boom (= 110 uur per ha)
Tienjarige bomen vragen ongeveer 30 minuten tijd aan snoei per boom (=188 uur per ha.)
De opkweek van de zure kriek (morel) stap voor stap:
Zure krieken bloeien aan eenjarige twijgen -> daar is de snoei op gericht !
Struikvorm van éénjarige zure kriek:
De kroon moet zich zo laag mogelijk bij de grond ontwikkelen. Daarom worden lage takken niet gesnoeid. Enkel de harttak (rood) wordt teruggesnoeid om de boom verder gunstig te doen ontwikkelen.
Struikvorm van tweejarige zure kriek:
We streven naar een open kroon. Té steil groeiende concurrentietwijgen worden verwijderd, andere worden afzonderlijk vlak gebonden om de kroonoppervlakte te vergroten.
Struikvorm een jaar later (derde jaar):
De harttak wordt teruggesnoeid. De zijtakken in de top concurreren met de nieuwe harttak en worden daarom verwijderd. Ook de te dicht op elkaar groeiende takken binnenin de kroon worden weggesnoeid. De jonge kroon en de zijtakken aan de stamverlengenis zijn nu gunstig over de struik verdeeld. Door de gunstig hoek waaronder ze aan de stam staan ingeplant, zullen ze niet zo gauw afbreken.
Struikvorm van 5-jarige zure kriek:
De hart- en draagtakken worden teruggesnoeid tot op vlak groeiende zijscheuten. Concurrentietakken en twijgen worden volledig verwijderd. Te dicht op elkaar groeiende jonge loten worden, vooral bovenin de kroon, weggesnoeid. Resultaat: de ronde kroon is ontwikkeld met een duidelijke harttak en 3 hoofd-draagtakken.De takken hebben zich binnenin de kroon veelvuldig vertakt.
Verjongingsnoei zure kriek:
Een 10-jarige zure kriek die nooit eerder werd gesnoeid. De kroon van deze 10-jarige kriek werd nooit gesnoeid. Hij heeft zich in die tijd breed ontwikkeld en ziet er tamelijk verouderd uit. De opbrengst is gering, van slechte kwaliteit en moeilijk te oogsten.
In het eerste jaar van behandeling worden vooral de talrijke, dicht op elkaar groeiende, grote takken binnenin de kroon verwijderd. Het verlengde van de stam wordt afgezaagd zodat er meer een open kroon ontstaat. Door deze snoei ingreep wordt de boom gestimuleerd tot nieuw groei.
Verjongingsnoei van takken die kaal zijn geworden bij zure kriek:
Bij het verjongen van een tak die al kaal is beginnen worden worden té dicht op elkaar groeiende en hangende twijgen verwijderd. Recht omhoog groeiende takken worden bewaard voor een nieuwe opbouw van de tak.
De nasnoei van een reeds verjongde tak: door de snoei is er in alle delen van de kroon een krachtige groei ontstaan. Daardoor kon het verder kaal worden van de takken voorkomen worden. De twijgen die overbodig zijn voor de verdere kroonopbouw en de slecht verdeelde twijgen worden verwijderd.
De opkweek van de zoete kers stap voor stap:
Bij de kers staan na 1 groeijaar de hoofdtakken op een goede afstand van elkaar op de stam ingeplant. De steile zijtak kan wat vlakker worden gebonden. De jonge scheuten worden nog niet gesnoeid zodat ze de kans krijgen zich in een goede richting te ontwikkelen.
Na 3 jaar heeft de kroon zich verder goed ontwikkeld en heeft de kers maar weinig snoei nodig. Door de bovenste zijtakken niet te snoeien zullen zich er minder snel steile takken ontwikkelen. Door te snoeien zouden deze takken tot groei worden geprikkeld en uitgroeien tot dikke takken die te veel in de kroon zouden overheersen.
Om zeker te zijn van een vlakke stand van de takken snoeien we de steile takken terug tot op de vlak groeiende zijtakken of binden ze horizontaal op. Draagtakken, die te lang zijn, worden ingekort.
-----
Prunus cistena
Prunus cistena is een traaggroeiend struikje of boomvorm met purperrood blad en kleine, witte bloempjes. Best jaarlijks snoeien tussen mei en september. Je kan dus best direct best na de bloei snoeien. Tijdens de groeiperiode (zomer), gaan de snoeiwonden vlugger genezen, dan tijdens de rustperiode.
foto onder en boven:
Prunus cistena is verzwakt en bloeit bijna niet meer door niet meer te snoeien,
de plant heeft geen vitale en krachtige takjes meer om te bloeien
----
Prunus domestica - pruimen
Zie ook bij algemene snoei van fruitbomen
De pruimenboom of Prunus domestica is een opvallende en nuttige boom. De vruchtbaarheid treedt tamelijk vroeg op en elk jaar tussen juli en september is een redelijke tot goede oogst te verwachten. Het is een eenhuizige plant die meestal door insecten bestoven moet worden. Enkele pruimenrassen zijn ook zelfbestuivend (zie ook lijst bestuiving). Om een hoge vruchtproductie te bekomen is een ander gelijkbloeiend bestuivend pruimenras noodzakelijk.
Van november tot maart te planten. Plantafstand: 2 - 4 meter. Een zonnige standplaats doet het suikergehalte in de vruchten stijgen. Ook zijn de planten dan minder gevoelig voor schimmelaantastingen.
Snoeien tussen half april en half september.
Pruimen zijn geënt. De onderstam geeft wortelopslag die best diep wordt weggesnoeid
jan. feb. mrt. apr. mei juni juli aug. sept. okt. nov. dec.
Vruchtdunning bij pruimen
Waarom vruchtdunning toepassen?
- Minder kans op beurtjaren.
- Grotere en gezondere vruchten die sneller kunnen rijpen.
- Gemakkelijkere pluk. Minder uitval t.g.v. schimmels en insecten.
- Minder kans op takbreuk. Bij niet tijdig gedunde bomen kunnen verschillende takken breken t.g.v. het overtollige gewicht.
- Tijdens het dunnen kan men beschimmelde vruchten (mummies) tijdig verwijderen, zodat uitbreiding vermeden wordt.
- De groei van de boom verbetert, zodat de vruchten beter kunnen uitgroeien en de smaakkwaliteit stijgt. Het ras 'Queen Victoria' dat niet of te laat gedund wordt is nauwelijks eetbaar. Goed gedund is het een lekkere vrucht.
- Hoger suikergehalte van de vruchten.
Bij de zomersnoei (en wintersnoei) is het belangrijk van een goed evenwicht te bekomen tussen groei en vruchtzetting. De scheutlengte op 1 groeijaar zou toch minimaal 20 cm mogen zijn.
Werkwijze.
Bij een goede vruchtdunning tracht men een evenwicht te krijgen tussen de aanwezige bladeren en de vruchten. Per 20 cm mogen er ongeveer 2 - 3 vruchten blijven staan. (Men rekent soms ook op ongeveer 25 gezonde bladeren per vrucht) Men houdt steeds rekening met het ras. Bij grootvruchtige rassen zal men meer vruchten verwijderen, zodat ze goed kunnen uitgroeien. (vb. Reine Claude d'Oullins en Monarch)
Men tracht de trossen zoveel mogelijk op twee of op één te zetten. (1 of 2 vruchten per tros behouden). Indien de trossen te dicht bij elkaar staan, zet men de trossen per één.
De vruchtstelen zal men steeds deels laten staan. Men knipt met een dunschaar (of met de vingers) de vruchten van de vruchtsteel.
Vruchten die onder de takken hangen en weinig zonlicht krijgen, zal men zoveel mogelijk verwijderen.
Bij het dunnen houdt men ook rekening met de dikte en stevigheid van de vruchttak/ vruchttwijg. Op dunne vruchttwijgen (druiphout) zal men minder vruchten behouden dan op dikkere vruchttakken.
Vruchttakken die door het gewicht tegen de grond gaan hangen, kan men doorknippen met de snoeischaar of kan men met een touw omhoog binden. Bij het opbinden van takken let men op dat de knopen niet kunnen insnoeren. Men kan best grote lussen gebruiken aan de takken.
Steil groeiende takken kan men nu ook nog volledig wegzagen. Dit kan men vooral doen als de boom zwaar beladen is. Laat steeds een kleine stomp (gerichte voet) staan en zorg dat de schors niet kan afscheuren bij het wegzagen van takken.
Men kan de meeste rassen (langstelige rassen) met de vingers dunnen. Men tracht steeds de vruchtsteel te behouden aan de takken. (Vruchten afpitsen). Hiermee voorkomt men dat de overblijvende vrucht gekwetst wordt aan de vruchtsteel, zodat deze later ook zou afvallen. (Anders is er tevens een kans op een groeistilstand)
Bij kortstelige rassen kan men beter dunnen met een dunschaartje of met een lichte snoeischaar.
Tijdens het dunnen kan men ook sterkgroeiende rugscheuten wegbreken. Indien deze scheuten niet verhout zijn, kan men ze volledig wegnemen. De gemaakte wonden genezen snel in de zomerperiode. Rugscheuten zijn meestal minder productief en belemmeren de gezonde groei van de overige twijgen.
Grondscheuten (opslag van de onderstam) zal men tevens zo laag mogelijk wegnemen. (Uittrekken of uitsteken). Wortels niet teveel beschadigen, of er komen nog meer grondscheuten.
Tijdstip van vruchtdunning
Het vruchtdunnen kan men best zo vroeg mogelijk toepassen. Meestal wacht men tot de natuurlijke vruchtrui (junirui) afgelopen is. Vroeg dunnen heeft de voorkeur, omdat men dan sterkere bloemknoppen krijgt voor het volgende jaar.
Bij te vroeg dunnen (einde mei - begin juni) kan er soms later nog een natuurlijke vruchtval volgen.
Volgorde van dunnen
- Pruim en perzik (abrikoos)
- Peren
- Appel
-------
Prunus dulcis of amandelnoten:
Weinig snoeien. Indien toch nodig tussen half april en september snoeien
Afbeelding (Pr. dulcis 'Robijn')
afkomstig van "Fruit voor uw tuin" (VLAM, vzw.)
-----
Prunus eminencis 'Umbraculifera'' - steppekers (bolvormige kers):

Synoniem: Prunus fructicosa 'Globosa'

Hou rekening met 'valse scheuten' aan de stambasis, die kan je maar beter verwijderen. Dat lijkt weer extra werk maar de steppekers hoeft je verder nooit te snoeien. Steppekers groeit zonder één enkele snoeibeurt uit tot een mooi, volle kroon. Die natuurlijke kroonvorm is weliswaar niet geheel bolrond maar eerder ovaalrond.
jan. feb. mrt. apr. mei juni juli aug. sept. okt. nov. dec.


Hagen van Prunus laurocerasus - laurier, paplaurier, papbladeren:

De ideale periode voor het snoeien van wintergroene hagen strekt zich uit van begin mei tot half september. Er kan nog rond half augustus gesnoeid worden, maar.....de jonge scheuten die je haag na het snoeien zal vormen, zijn dan een stuk vorstgevoeliger. Wie het in een winter voor had kan van het schadebeeld meespreken. Door de strenge vorst kan je meer van een immerbruine dan immergroene haag spreken. Bij een té sterke snoei zullen de meeste planten kaal worden en zich niet herstellen. Na half september snoeien is dus af te raden: de dan nieuwe scheutjes zijn broos en onvoldoende afgerijpt waarbij ze bij strenge vorst makkelijk kunnen invriezen. Hagen met planten met grote bladeren worden best gesnoeid met een snoeischaar, waarmee u de twijgen tussen de bladeren doorknipt, anders worden de bladeren doorgesneden en dat is ronduit lelijk, en waarbij de topjes van de zijtakken worden teruggenomen op een wat dichter bij de stam gelegen zijtak.
Prunus laurocerasus 'Otto Luycken' - laurier, paplaurier, papbladeren:

* soms aangeplant als kleinere (lagere) laurierhaag, snoeien zoals Hagen van Prunus laurocerasus
* vaak aangeplant in groepen. Je kan met 'Otto Luycken' heel mooie groepen vormen:

Prunus persica - perzik

Zie ook bij algemene snoei van fruitbomen
De perzik draagt zijn vruchten op scheuten die vorig seizoen werden gevormd. Het snoeien is daarom gericht op een voortdurende en jaarlijkse vernieuwing van goed geplaatste jonge scheuten. Scheuten die vruchten gedragen hebben worden daarom telkens vervangen door jonge scheuten.
Na de oogst wordt de perzikboom gefatsoeneerd door het wegsnoeien van zijtakken die gedragen hebben. Ook dood, ziek en beschadigd hout, alsook kale scheuten worden weggesnoeid.
Men kan de perziken in het algemeen in 2 grote groepen indelen: de gewone, behaarde perzikvruchten en de niet-behaarde perzikvruchten of gladde perziken (nectarine, briool). Snoeien is meestal noodzakelijk, niet alleen om de boom laag te houden, maar ook om hem te verjongen. Als hij de vrijheid krijgt groeit de perzikboom smal omhoog en dan sterven de onderste takken af.
Snoei de eerste jaren:
Als je een perzikboom aankoopt, zal dit meestal een eenjarige geoculeerde boom zijn. Na het planten knip je alle jonge twijgen af, op enkele centimeter na. De boom zal dan later mooi uitschieten en vanzelf uitlopen. Bij het uitschieten kies je dan 3 of 4 scheuten die mooi verdeeld staan. Zo bekom je 3 tot 4 gesteltakken, die breder uitgroeien, met een open kroon. Voordeel hier is dat je later lager de vruchten kan plukken. Ook de hergroei is hiermee veel beter.
Op de gesteltakken, die op hun beurt terug vertakken, haal je steeds de rugscheuten weg en alleen de zijscheuten worden bewaard. Dat werkje kan reeds in de zomer gebeuren. Zorg er ook steeds voor dat aan de verlengenis maar 1 twijg doorgaat, d.w.z. dat je de concurrenten moet wegnemen.
Onderhoudsnoei bij oudere bomen
Perziken worden voornamelijk rond of vlak voor de bloei gesnoeid. De vruchten komen slechts eenmaal op takken die het jaar tevoren zijn gevormd, dus op het eenjarig hout. Ouder hout heeft de neiging om kaal te worden. Bij het niet-snoeien zal de groei zich verplaatsen naar het uiteinde van de boom. Hierdoor daalt de vruchtmaat en kwaliteit (Smaak en suikergehalte daalt). Zorg ervoor dat er zoveel mogelijk jong hout in de boom behouden blijft.
Natuurlijk zorg je voor een open boom en sleun je de zwaarste takken weg. Bijvoorkeur zware takken na de pluk wegsnoeien. Hiermee daalt de aantasting van krulziekte. Wonden kan je best insmeren met bijv. Topsin M pasta, om aantasting door de loodglansschimmel te voorkomen.
Snoei gesteltakken met afgedragen hout terug naar de basis toe, tot op een jonge twijg. Dode en zieke takken verwijderen. Zorg steeds voor een gezond blad en dan zo snel mogelijk dunnen. Hoe groter de verhouding blad-vrucht is, hoe meer suikers per vrucht en hoe smaakvoller de vruchten worden.
Men kan de groei van perzikbomen afremmen, door te snoeien kort na de vruchtzetting (mei).
De overtollige takken en twijgen welke geen vruchten dragen kan men dan probleemloos wegsnoeien. Twijgen welke te zwaar beladen zijn met vruchten kan men doorknippen op enkele vruchten. Men tracht steeds na elke vrucht wat blad te laten staan.
Bij het nadunnen zal men de vruchten voldoende ruim uit elkaar zetten.
Snoeien in de wintermaanden zal de groei bevorderen, terwijl het snoeien in het voorjaar of de zomer (mei - september) de groei zal verminderen.
Rassen die waarschijnlijk tolerant zijn aan de krulziekte (schimmel)
'Reine de Vergers'
'Red Haven'
'Charles Ingouf'
'Gerard'
De opkweek van een perzikboom stap voor stap:
De perzik kan op dezelfde manier gesnoeid worden als de kriek. Het grote aantal takken dat zich onderaan de stam ontwikkeld heeft, wordt verwijderd. Maar ook de gehele kroon kan worden teruggesnoeid.
Om de opbrengst te vervroegen ontziet men de twijgen die niet voor de kroonopbouw nodig zijn, vooral aan de basis van de takken. Bij het beginnen kaal worden van de takken zal het nodig zijn om in het vroege voorjaar het vruchthout in te snoeien.
De snoei van perziken in waaiervorm geleid
Perziken zijn winterhard maar bloeien vroeg waardoor ze erg gevoelig en onderhevig zijn voor schade door lentenachtvorst. Daarom is het bijzonder interessant om perziken op beschutte plaatsen zoals aan muren te planten. De meest geschikte vorm die zich daarvoor leent is de waaiervorm. Men leidt de perzik als een waaiervorm aan een draagrek. De draden moeten sterk gespannen zijn en liggen op 10 cm van elkaar.
Bij aankoop.
November - Februari:
Plant een jonge boom in de maanden van november tot februari. Snoei de jonge boom terug tot op 40 cm boven de entplaats. De snoeisnede wordt gemaakt boven een bladknop of een drielingsknop (zie tekening links). Gedurende de eerste komende zomer zullen hieruit de nieuwe scheuten ontwikkelen.
Het eerste groeijaar.
Mei:
In mei kiezen we 3 zware scheuten uit waarvan de bovenste verticaal groeit en de anderen elke in één richting. Andere verschijnende scheuten worden volledig weggesnoeit.
Het eerste groeijaar.
Juni - Juli:
Naarmate deze zijscheuten langer en langer worden, binden we ze in de maanden juni-juli, met behulp van bamboestokken, aan de draden aan. De takken en bamboestokken worden in een hoek van 45° aan de draden bevestigd.
Het eerste groeijaar.
Augustus - September:
Als de scheuten volgroeid zijn in augustus-september, nemen we de middenste scheut volledig weg. De snoeiwonde wordt verzorgd met entwas.
Oktober - November:
In oktober-november maken we de zijscheuten los en korten ze voor 1/2 in. We brengen nu de bamboestokken horizontaal en binden de zijtakken weer aan. Alle andere scheuten halen we weg.
Het tweede groeijaar.
Juli-Augustus:
Door het wegsnoeien van de hoofdtak zullen op elke arm knoppen uitlopen. Kies in juli-augustus 4 zware scheuten uit op elke arm. Eén aan te top voor de verlenging, 2 aan de bovenkant en de 4de aan de onderkant van de tak. Bindt ze aan de bamboestokken vast die aan de draden bevestigd worden en haal tevens alle andere scheuten weg.
Het derde jaar.
Februari:
In februari korten we elke verlengenis in op 1/3 op een naar omlaag gerichte knop en laat men ongeveer 75 cm staan.
Het derde jaar.
Juli - Augustus:
Kies in deze zomerperiode 3 nieuwe scheuten uit elke gesnoerde gesteltak en bindt die aan. Nijp de overige scheuten in.
Het derde jaar.
November-December:
In de maanden november of december snoeien we de nieuwe scheuten op de gesnoerde hoofdtakken voor 1/4 deel in.
Het 4de en de volgende jaren.
Het centrum van de waaier is nu opgevuld met nieuwe takken. Men kan de vruchtdragende takken laten zitten, dit zijn de zijtakjes. Beperk het snoeien van de verlengingen tot takken die niet goed groeien.
Het 4de en de volgende jaren.
Juli - Augustus:
Als de perzikboom de goede hoogte heeft bereikt, snoeit men in de periode juli-augustus de verlenging in, door de groeitop in te nijpen. Daardoor gaat men een verdere groei tegen en snoeit men zo nodig aan het eind van het seizoen terug tot op een geschikte vervangingsscheut. Tijdens de zomer snoeien we alle verkeerd geplaatste zijtakken af op 7.5 cm lengte. Verkeerd geplaatste takken zijn takken die van of naar de muur toe groeien.
-----
Prunus serotina (Amerikaanse vogelkers):
Deze wordt vaak als onderbeplanting aangebracht en kan dan sterk ingesnoeid worden.
---
Prunus tenella - dwergamandel : de snoei beperkt zich hoofdzakelijk tot uitdunnen wanneer dat nodig is
-----

Prunus triloba - amandelboompje :

De bloemen van de amandelboom verschijnen in maart-april op de takken voor de bladontwikkeling. Snijtakken worden vaak in de bloemhandel aangeboden. Regelmatig wilde scheuten wegnemen. Na de bloei, omstreeks april-mei steeds kort insnoeien anders sterven oudere twijgen vlugger af.

-----
Prunus yedoenis (x) 'Shirdare-yoshino' (= Prunus yedoenis 'Pendula')
Deze treurvorm is makkelijk bij te houden tot een paraplu-vormige boom. Regelmatig dode twijgen wegnemen. Scheuten aan de stam tijdig wegsnoeien.

Eigenschappen

Hoogte
0 - 400 cm
Kleur
  •   
Winterhard
Matig
PH
Kalkrijk
Vochtigheid
Normaal
Licht
Zon
Evergreen
Bladverliezend

 

2 varieteiten van deze plant

Deze plant in de webshop